De Geloovigen en Hun Zaad
door: Ds. H. Hoeksema

 

Revised Edition

 

 

 

Table of Contents:

Voorwoord

Hoofdstuk Een

Hoofdstuk Twee
Hoofdstuk Drie
Hoofdstuk Vier

Hoofdstuk Vijf

Hoofdstuk Zes

Hoofdstuk Zeven

Hoofdstuk Acht
Hoofdstuk Negen

Hoofdstuk Tien

Hoofdstuk Elf


 

The English translation of this document is available at the Reformed Free Publishing Association


VOORWOORD

In dat gedeelte van ons Doops formulier, waarin een woord van vermaning gericht wordt aan de ouders, die hunne kinderen ten doop heft en in, het midden der gemeente, wordt gezegd, dat de Doop een ordening Gods is, om ons en onzen zade Zijn verbond te verzegelen. En voorts wordt er nadruk op gelegd, dat we den Doop dus niet uit gewoonte of bij geloovigheid, maar uit het geloof aan dat Verbond Gods moeten gebruiken.

Het ligt wel in den aard der zaak, dat za de gemeente van Christus uit dat geloof leven, als ze den Heiligen Doop ontvangt voor haar en haar zaad, dat het wel een allereerste vereischte is en blijft, dat ze de waarheid aangaande dat Verbond des Heeren haars Gods versta. De leer des Verbonds is een grondstuk van ons Gereformeerd geloof. Hoe beter Gods volk Zijn verbond verstaat, in zijn wezen en historische ontwikkeling in de geslachten der geloovigen, hoe vaster het zal staan in de waarheid, hoe geringer het gevaar zal zijn, dat het zal worden afgevoerd door allen wind van leer. Vooral in ons land en in onze dagen zijn er vele stroomingen, die ons zullen afvoeren van de waarheid Gods, indien we niet eenigszins gefundeerd zijn in de waarheid van Gods verbond. Vele dwalingen, onder welke de Premillennialistische niet de minst gevaarlijke is, worden juist daardoor gekenmerkt, dat ze Gods verbond niet verstaan, er niet mee rekenen, het verwerpen, en daardoor komen tot een bschouwing van Israel en de Gemeente tot een seheiding van de oude en de nieuwe bedeeling, die de oogen van Gods volk verblindt voor den rijkdom der Schrift in verband met de organische ontwikkeling der dingen.  Daarom is het van gewicht, dat ons volk metterdaad den Doop gebruikt niet uit gewoonte of bij geloovigheid, maar uit een helder en vast geloof aan het eeuwig verbond Gods.

De volgende bladzijden bedoelen een onderwijzing te zijn in de leer des verbonds. De inhoud van dit boeksken werd reeds eerder aan ons volk aangeboden in den: vorm van artikelen in THE STANDARD BEARER. Veranderingen werden niet aangebracht. Moge de Heere deze uitgave zegenen tot bevestiging van de lezers in. de waarheid van Zijn trouw-verbond!                                             DE SCHRIJVER.


 

Hoofdstuk Een

Nog altijd ontvangen we vragen in verband met de plaats, die onze kinderen, de kinderen der geloovigen, innemen in Gods verbond. Wel bezien versehillende vragers de zaak, waarover ze meer licht wenschen, uit een verschillend oogpunt; de een vraagt naar den kinderdoop en een klaar be toog voor zijn Bijbelschen grond, de ander naar de vraag aangaande de zaligheid der vroeggestorven kinderen, een derde komt met de vraag naar een verklaring van het be kende woord van David, dat hij sprak bij gelegenheid van het overleden zijn van zijn kindje, een vierde wil gaarne wat meer licht over de beteekenis van Gods verbond in het alge meen; doch het is gemakkelijk te zien, dat al deze vragen feitelijk in den grond der zaak op hetzelfde neerkomen: men vraagt naar de plaats van het zaad der geloovigen in Gods verbond.

Nu is voor een Gereformeerd mensch de vraag betref fende Gods verbond met ons en onze kinderen een zeer be langrijke. Indien we uit dit oogpunt zouden willen spreken van een Jachin en Boaz in den tempel der waarheid Gods, dan zouden we zeker niet moeten spreken, zooals Prof. Van Andel dat ergens deed, van de leer der Algemeene en die der Particuliere Genade, maar wel van het stuk der Souvereine Genade Gods aan den eenen en dat van Gods verbond aan den anderen kant. Niet alsof door onze menschen de vraag betreffende de geloovigen en hun zaad in het verbond Gods juist altijd uit het oogpunt van haar leerstellig gewicht ge opperd wordt. Dit laatste is juist niet het geval. Veeleer heeft voor hen deze vraag een bij uitstek practische beteeke nis. Immers men zoekt vooral een antwoord op de vraag naar die zaligheid der vroegtijdig gestorven kinderen des verbonds. Zijn de kinderen van geloovige ouders, die in hunne kindsch heid sterven, die door den Heere worden weg genomen eer ze nog tot jaren des onderscheids gekomen zijn, voor zalig te houden, ja dan neen? Veel, dat geschreven en gesproken werd in het verleden over deze kwestie, kwam altijd weer voort uit die practische vraag naar de zaligheid van de kinderen der geloovigen. Zelfs zijn er, die er zeer sterk op staan, om op die vraag een positief antwoord te hebben. Voor hen hangt de leer van Gods verbond af van het antwoord op die vraag. Ze gaan met u mee, als ge de leer van het verbond ontwikkelt, zelfs tot in bijzonderheden toe. Doch als ge aan die vraag toe zijt, en daar komt ge onvermij delijk, en ge zoudt geneigd zijn om een weifelend of ook een ontkennend antwoord te geven, ge zoudt willen zeggen, dat het uit Gods verbond in de lijn der geslachten niet met noodwendigheid volgt, dat al de vleeschelijke kinderen uit geloovige ouders zalig zijn, als God ze wegneemt in hunne prille jeugd, dan doen ze als die Friesche koning, waarvan men ons verhaalt, dat hij met het eene been in het doopwater stond, toen hij den zendeling plotseling voor de vraag plaats te of zijn ouders ook zalig waren en den hemel binnengegaan waren; en die, toen hij daarop een ontkennend antwoord ontving, zijn been weer uit het doopwater terugtrok en wei gerde gedoopt te worden. Nu is dit alles zeer goed te ver staan. De vraag naar de zaligheid onzer kinderen, die vroeg tijdig sterven, is natuurlijk een diep ingrijpende. Er zijn, zooals bekend is en zooals de ervaring dagelijks leert, een ontzettend groot aantal kinderen, die in hunne jeugd, voor namelijk in hunne prille jeugd door den Heere worden weg genomen. En de zaligheid dier kinderen ligt den ouders na aan het hart. Hieruit is het ongetwijfeld te verklaren, dat de vraag naar Gods verbond altijd weer opkomt uit het oog- punt van die vraag. Toch is het desniettemin te betreuren, dat dit het geval is. Veelal toch ging op die wijze de be spreking van Gods verbond dikwijls op in eene discussie over het zaad des verbonds en dan wel met name ov.er hunne zaligheid. Een vraag van betrekkelijk weinig leerstellige waarde, werd aldus tot hoofdvraag gesteld. En het stuk des verbonds verarmde en verwaterde ook mede door dit aldoor staren op dat eene punt.

Dit neemt niet weg, dat de verbondsgedachte wel zeer wezenlijk een der voornaamste stukken in de belijdenis der Gereformeerde kerken is en behoort te blijven. Eigenlijk is ze nog meer karakteristiek Gereformeerd dan de leer der verkiezing. Afwij king van de Gereformeerde waarheid heeft dan ook gewoonlijk plaats op een dezer twee stukken of op beide. Men begint te tornen aan de leer der Souvereine Genade Gods en wijkt af naar den kant van het Remon strantisme. Of men verstaat niet meer het verbond Gods met zijn yolk en begint af te wijken naar de zijde van het Baptisme. Natuurlijk valt dit laatste gemakkelijker naar mate de gemeente des Heeren minder onderlegd is in de waarheid Gods. Men verachtert in de kennis van Gods Woord. Men verstaat eigenlijk zijn eigen belijdenis niet meer. Voor een tijd leeft men dan nog uit sleur of ge woonte mee. Men biedt zijn kinderen nog ten doop aan, en men luistert nog werktuigelijk naar het voorlezen van het Doopsformulier. Strijd heeft men eigenlijk niet. Men leeft en drijft op de traditie. Doch bij ernstige zielen kan dit toch niet lang zoo voortduren. Men moet rekenschap hebben en geven van de waarheid. Men komt plotse]ing op de een of andere wijze voor de ernstige vraag van den kin derdoop. En men bemerkt tot zijn eigen ontsteltenis, dat men eigenlijk zichzelf nooit rekenschap gaf van de beteeke nis van en den grand voor den doop der kleinen in Gods ge meente. Komt daar dan geen licht, het zoozeer begeerde licht, licht, dat oak werkelijk licht heeten kan, licht uit de Schrift, dan is het eenige gevolg, dat zulke ernstige zielen, liever dan hun geweten geweld aan te doen, zich aansluiten. bij de een of andere Baptistische kerkgemeenschap. Ze zijn voor de Gereformeerde waarheid verloren, en een der kost baarste stukken der belijdenis hebben ze prijs gegeven. En dat dit metterdaad geen abstracte teekening maar tastbare werkelijkheid is, leert de geschiedenis en die dagelijksche ervaring. Velen in de Gereformeerde kerken loopen altijd nog met de vraag in hun ziel, hoe ze Gods verbond ten op zichte van hunne kinderen hebben te beschouwen. Velen, die in de G reformeerde kerken blijven, maar eigenlijk nit overtuiging ten voIle baptist zijn. En niet weinigen zijn er ook, die zich openlijk bij de baptisten voegen en breken met de Gereformeerde kerken. Het is dus van het grootste be- lang, dat we onze belijdenis ook op dit punt weer verstaan en dat we de Schriftuurlijke gedachte vatten en ontwikkelen be treffende de geloovigen met hun zaad in Gods verbond. Waarom zijn de kinderen der geloovigen in Gods verbond? In welken zin zijn ze in dat verbond? Is er ook in den kring van Gods verbond nog te onderscheiden tusschen tweekrlei zaad, of zijn alle kinderen, hoofd voor hoofd, in iin adem te noemen ? Wat is eigenlijk Gods verbond en wat is de be teekenis er van voor ons zaad? Op deze en andere vragen moeten we bereid zijn een antwoord te geven, dat op Gods Woord berust en daarom bevredigen kan. En daarom willen we aan dit onderwerp enkele artikelen wijden.

En dan moet bier aanstonds worden opgemerkt, dat er over deze zaak onder Gereformeerden zelf geen eenstemmig heid heerscht, en dat bet metterdaad niet kan worden ge zegd, dat er iin verbondsbeschouwing is, die zich uitsluitend den naam van Gereformeerd heeft verworven in onderschei- ding van andere beschouwingen. Daar is in de eerste l)laats allerlei verschil van gedachte over de verbondsgedachte zelf, afgedacht nog van de vraag aangaande de plaats, die de kin— deren eren der geloovigen in dat verbond innemen. Daar zijn er in de eerste plaats, die het wezen des verbonds zoeken in de belofte Gods: Ik zal u tot een God zijn. Zoo schrijft Prof. Heyns. Verhandelingen over het Genadeverbond, pp. 11, 12: "Hat wezen des verbonds, waardoor het is wat het is — een Genade-verbond, ligt hierin, dat het is de belofte 'om u te zijn tot een God' gegeven in den vorm van een verbond, een verbintenis. Elk verbond Gods met menschen was een belofte gegeven in den vorm van een verbond. Het werk- verbond was een belofte, de belofte des levens in den weg van gehoorzaamheid, gegeven in den vorm van een verbond. Het verbond met Noach was een belofte, die van de aarde niet weer door water te zullen verdelgen, gegeven in den vorm van een verbond. Als Petrus op den Pinksterdag met de woorden: 'u komt de belofte toe en uwen kinderen' de schare opwekt om zich te laten doopen, bedoelt hij wel meer bepaald de belofte, zooals die door Joel was vertolkt, maar dan toch die belofte als het wezen des verbonds uitmakende, want alleen als zoodanig ken deelgenootschap aan die belofte recht geven op het zegel des verbonds. Als de Catechismus in yr. 74 omschrijft wat het voor de kinderen beteekent, zoowel als de volwassenen in Gods verbond begrepen te zijn, heet het: 'dat hun door Christus' bleed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet weini ger dan de volwassenen toegezegd wordt'. En als in yr. 66 beleden wordt, dat de sacramenten zijn ingesteld door God 'opdat Hij ons door het gebruiken van dezelve de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele', is het duidelijk dat daar 'Evangelie' bedoeld wordt, als iden tisch met verbond en dat 'belo te des Evangelies' hetzelfde meet beteekenen als wezen des verbonds.

"Deel te hebben aan het wezen des verbonds wil dus zeg- gen, deel te hebben aan de belofte des verbonds; als aan ons door den doop Gods verbond verzegeld wordt, wil dit zeggen, dat aan ens deelgenootschap aan de belofte des verbonds verzegeld wordt, en dat als een belofte tot welker vervulling in den weg van blijven in het verbond (hetzelfde als blijven in Christus, Joh. 15:4) God zich verbonden heeft. En indien de Heere b.v. met Jerobeam, in weerwil van wat Hij in Zijn raad aangaande hem besloten heeft, een persoonlijk verbond kon maken als dat van I Ken. 11:38, dan is er zeker wel geen bezwaar tegen in te brengen, dat ook dezulken, die niet uit verkoren zijn deel hebben aan het wezen, d.i., aan de belofte des verbonds, als een belofte tot welker vervulling de Heere zich in den weg van blijven in het verbond formeel verbon- den heeft.

"Met betrekking tot de vraag, wat nu dit deelgenootschap aan het wezen des verbonds beteekent, welke weldaad daarmee den bondeling ten deel valt, zij opgemerkt, .dat wij tweehlei toepassing des heils te onderscheiden hebben. Beide worden genoemd in de dankzegging van het Avondmaals formulier met de woorden: 'Dat Gij uit grondelooze barmhartigheid ons uwen Eeniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, en tot een spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt, en dat Gij ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij zulke uwe weldaden deelachtig worden.'  Dus het 'deelachtig worden' geschiedt door het geloof en is nog iets anders dan het geschonken zijn. Evenzoo worden in vr. 74 als de twee elementen van de belofte genoemd 'de verlossing van de zonden door Christus' bloed', en 'de Heilige Geest, die het geloof werkt'. De toepassing des heils moet vooreerst die zijn van eene objectieve schenking, waardoor ons op het heil een Goddelijk recht wordt gegeven, en deze geschiedt in en door het verbond. En ten tweede moet zij zijn een subjectieve deelachtigmaking, en deze geschiedt door het geloof, of liever door den Heiligen Geest, die het geloof werkt. De eerste ontvangt elk bondeling, als bondeling in den vollen zin. Daarvan is de Doop allen, die gedoopt worden een Goddelijk zegel, 'een ontwijfelbaar getuigenis'. Wat dit inhoudt zegt ons het Doopsformulier zoo kernachtig als het ontvouwt, wat het beteekent gedoopt te worden in den naam des Vaders en in den naam des Zoons. Met de tweede, de toepassing des heils door den Heiligen Geest, of de subjectieve deelachtigmaking, staat het voor den bondeling op dezelf de wijze en tech ook niet op dezelfde wijze. Op dezelfde wijze, want gelijk hem. in het verbond vergeving der zonden en eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken wordt, d.i., hem daarop recht gegeven wordt, zoo wordt hem ook recht gegeven op de subjectieve toepassing door den Heiligen Geest (Catechismus, vr. 74). En toch ook niet op dezelfde wijze, want recht geven op vergeving der zonden en eeuwige gerechtigheid en zaligheid, is die heilsgoederen zelve te schenken, ze in ons bezit te stellen; maar recht te geven op de subjectieve toepassing door den Heiligen Geest, is nog niet die subjectieve toepassing zelve ons te geven. Op uitnemende wijze wordt ook dit weer uitgedrukt in ons Doopsformulier als het zegt, dat in den Doop ons betuigd en verzegeld wordt door den Vader, dat Hij een eeuwig verbond der genade met ons opricht, ons tot kinderen en erfgenamen aanneemt, en door den Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, maar door den Heiligen Geest, dat Hij ons tot lidmaten van Christus heiligen wil (niet heiligt), 'ons toekigenende hetgeen wij in Christus hebben'. Deel te hebben aan het wezen des verbonds wil dus voor den bondeling zeggen, in het bezit gesteld te zijn van de heilsgoederen, zooals de toepassing daarvan in en door het verbond geschiedt, en een recht ontvangen te hebben op de subjectieve deelachtigmaking des heils, zooals die door den Heiligen Geest geschiedt.

"Bij zulk een opvatting van het wezen des verbonds is er geenerlei behoefte aan de onderscheiding van een conditioneel of uitwendig verbond, waartoe het zaad der geloovigen in het algemeen zou behooren, en een absoluut of inwendig verbond, waaraan alleen de uitverkorenen deel zouden hebben. Die onderscheiding is de consequentie van een dupleurische verbondsbeschouwing, die het wezen des verbonds zoekt in het zaligmakend bezit der heilsgoederen; maar Gods Woord geeft tot die onderscheiding geen recht, en onze Belijdenisschriften evenmin. Er is verschil in de bondelingen, maar dit verschil mag niet worden ingedragen in het verbond zelf. Sommigen hebben de zaligmakende toepassing door den Heiligen Geest ontvangen, en anderen niet; de eerste zijn in den wijnstok als vruchtbare, de laatsten zijn in den wijnstok als onvruchtbare ranken. Maar al is er verschil in de ranken, de wijnstok is iin, en al is er verschil in de bondelingen, het verbond is iin."

Zoo is de beschouwing van Prof. Heyns. We hebben met opzet breed aangehaald, aan den eenen kant om den professor geen dingen te laten zeggen, die hij metterdaad niet zegt; aan den anderen kant, omdat we het hier te doen hebben met een verbondsbeschouwing, die bij velen ingang heeft gevonden, en die o.i. toch met wortel en tak dient te worden uitgeroeid. Onze reden hiervoor hopen we in een volgend nummer te geven. Als nu slechts duidelijk geworden is, wat des professor's beschouwing is. Hij vat Gods verbond louter soteriologisch op. Dat wil zeggen, voor hem is in Gods verbond de zaligheid der bondelingen het iin en het al.  Het verbond is eigenlijk een belofte tot de zaligheid. Het wezen van dat verbond is echter niet de zaligheid zelf, maar de belofte Gods, dat Hij die zaligheid wil schenken. Op die wijze tracht de professor te ontkomen aan een uit- en inwendig inzijn in Gods verbond, zooals dat zich hier historisch openbaart in de wereld. De belofte is het wezen. Die belofte nu wordt voorts, volgens Professor Heyns, aan allen en een iegelijk, die als zaad des verbonds geboren worden uit geloovige ouders, geschonken. God zegt zeer wezenlijk in Zijn verbond, dat Hij alle kinderen des verbonds, dat wil zeggen, alle zaad des verbonds in natuurlijken zin, zaligen wil. Dat is Zijn eed. Neen, nog meer. De Professor maakt niet alleen onderscheid maar ook scheiding tusschen het werk des Vaders, die Zijn eeuwig verbond opricht, en het werk des Zoons, die ons wascht met Zijn bloed aan den eenen kant, en het werk des Heiligen Geestes, die ons het heil deel achtig moet maken aan den anderen kant. Het verbond kan door den Vader met ons opgericht zijn; we kunnen Christus ingelijft zijn en door Zijn bloed gewasschen zijn; maar dat wil nog niet zeggen, dat we ook de weldaden des verbonds werkelijk deelachtig worden. De laatste hangt af van iets anders, volgens Prof. Heyns, en dat andere is, dat de bondeling verplicht is, die weldaden, die hem in het verbond werden bezworen, nu ook geloovig aan te nemen.

Hoe de professor dit alles leeren kan als Gereformeerd mensch is ons wel een raadsel. Maar tot opheldering dient hieraan ten slotte ook nog te worden toegevoegd, dat de professor ook aan alle bondelingen een zekere subjectieve genade toekent, Ze zijn niet te vergelijken met de kinderen der wereld. Ze zijn niet stekeblind en stokdoof. Neen, allen, hooft voor hoofd, en ziel voor ziel, hetzij ze uitverkoren zijn en zalig worden of niet uitverkoren zijn en niet zalig worden, ontvangen toch iets. Ze ontvangen een zeker leven, dat wel niet het leven der wedergeboorte is, maar toch leven is, Door dit leven worden ze in staat gesteld de aangeboden belofte, het wezen des verbonds, te aanvaarden en aan te nemen of te verwerpen. Zoo doende hebben ze dus een Goddelijk recht op de zaligheid, Ze hebben ook een Goddelijke belofte, die zeker en vast is, dat God hun het heil in Christus wil deelachtig maken. En ze ontvangen ook in den subjectieven zin des woords een zekere genade, een zekere macht, waardoor ze die weldaden nu ook kunnen aannemen, en den Heiligen Geest om Zijne genade kunnen bidden. (A. W., pp. 70-75.)


Hoofdstuk Twee

Wij hebben in ons vorig artikel Prof. Heyns laten spreken over zijne voorstelling van het verbond der genade ten opzichte van de geloovigen en hun zaad. We deden dit, omdat zijne voorstelling metterdaad een zekere richting vertegenwoordigt in dit opzicht; hij staat niet alleen. En ook omdat die voorstelling jaren is ingezogen door velen, die thans als leeraar in de Christelijke Gereformeerde kerken dienen.  Als we dit laatste voor de aandacht houden verwondert het ons niet meer, dat de leer van een algemeen aanbod van genade van Godswege in de prediking des Evangelies aan een ieder, die dat Evangelie hoort, niet alleen ingang kon vinden, maar ook zoo gereedelijk officieel kon worden aanvaard door de Synode van 1924, als de eenige zuivere Gereformeerde voorstelling. We hebben ook geschreven, nadat we Prof. Heyns lang en breed hadden aangehaald, dat we overtuigd zijn, dat deze voorstelling met wortel en tak moet worden uitgeroeid, en we beloofden onze redenen voor die overtuiging aan te geven.

En dan kunnen we aanstonds onze hoofreden aangeven door te zeggen, dat de voorstelling van Prof. Heyns niets anders is dan het oude Pelagianisme toegepast op de leer des verbonds.

We zullen dit duidelijk maken.

De professor beweert, dat het wezen des verbonds in de belofte ligt, dat God onze God wil zijn en de God van ons zaad.  Nu zou dit opzichzelf geen bezwaar kunnen opleveren, althans niet van ernstigen aard, indien namelijk de professor dit in goeden zin verstond en met heel die voorstelling niet bepaald de Remonstrantsche kant heenzeilde. Men zou natuurlijk bij zulk een bepaling van Gods verbond de zuivere en Schriftuurlijke voorstelling van de belofte Gods kunnen handhaven en dan zou men ten slotte nog zuiver kunnen blijven in zijn redeneering. Immers Gods beloften zijn ja en amen. Hij is de onveranderlijke, de getrouwe God, Jehova, de Ik-Zal-Zijn-Die-Ik-Zijn-Zal. Als God iets belooft, dan staat het ook rotsvast, dat Hij het beloofde zal schenken.  Er is geen verschil in zekerheid tusschen de belofte en de vervulling, tusschen de voorwerpelijke schenking en de onderwerpelijke toepassing.  Al wat God belooft, dat doet Hij ook gewisselijk, en wien Hij iets belooft, dien zal Hij het ook zekerlijk doen toekomen. Natuurlijk zou er, in dien zin genomen, geen gevaar liggen in de voorstelling, dat het wezen des verbonds in de belofte ligt: Ik ben uw God en de God uws zaads. Maar zoo genomen zou er dan ook geen sprake van kunnen wezen, dat deze belofte niet allen geldt, die binnen den kring van de historische openbaring des verbonds geboren worden.  God belooft niet aan ieder hoofd voor hoofd, die behoort tot het zaad des verbonds in den historischen, zichtbaren, uitwendigen zin des woords, dat God zijn God wil zijn en hem zaligen wil. Hij schenkt in den objectieven zin des woords, om met Prof. Heyns te spreken, niet aan allen hoofd voor hoofd Zijne zaligheid en de weldaden des verbonds. En zoo genomen beteekent de uitdrukking, waardoor Prof. Heyns het wezen des verbonds wil omschrijven, dan ook niets anders, dan dat in het verbond God de God is van Zijn volk en dat zij Zijn volk zijn. En dit laatste is een Schriftuurlijke gedachte. Doch zoo wil de professor het juist niet. Zoo maakt ge toch weer onderscheid tusschen zaad en zaad, en raakt het wezen des verbonds toch niet alle kinderen, die in den kring des ver bonds geboren worden. Zoo zoudt ge in zekeren zin toch weer moeten spreken van een uit- en inwendig verbond, van zijn zichtbaar-historische en geestelijk- onzichtbare zijde. En dat juist wil Prof. Heyns voorkomen, Hij wil het wezen des verbonds zoo omschrijven, dat het alle kinderen der geloovigen insluit, dat dit wezen des verbonds metterdaad allen raakt, die in den kring des verbonds in historischen zin worden geboren. Daarom denkt hij zich de belofte Gods dan ook niet als absoluut en onvoorwaardelijk, maar als betrekkelijk en voorwaardelijk. Het wezen des verbonds is de belofte in den zin van een voorwaardelijk aanbod. . Zijner zijds belooft God, i.e., biedt Hij aan, aan allen, die in het verbond worden geboren, dat Hij hun God wil zijn, op voor waarde, dat dezen nu ook die belofte Gods aanvaarden en het verbond inwilligen. Die voorwaardelijke betrekking, waarin God zich tot het zaad des verbonds plaatst, en de verwerkelijking waarvan afhangt van de inwilliging van den bondeling, is voor den professor het wezen des verbonds. Zoo hebben we dus feitelijk een algemeen aanbod, in den vorm van een verbintenis, binnen den kring des verbonds in historischen zin, Dit is dan ook de zoogenaamde algemeene verbondsgenade.

Hier komt dan nu nog bij, dat Professor Heyns ook onderwerpelijk onderscheid maakt tusschen het zaad des verbonds en de kinderen der wereld. Ze ontvangen allen een zeker leven van God, dat wel niet het leven der weder geboorte is, maar waardoor ze toch niet stokdoof en steke blind zijn. Hierdoor nu worden allen in staat gesteld om hun eigen relatie tot de verbondsbelofte Gods, aan allen ge schonken, te bepalen, Ze kunnen die willen en inwilligen hunnerzijds of ook niet willen en verwerpen. En of het verbond Gods nu ook in onderwerpelijke vervulling zal gaan, en iemand werkelijk die weldaden van Gods verbond zal ontvangen, dat hangt af van deze inwilliging van den bonde ling. Daarom maakt de professor het onderscheid tusschen de zoogenaamde voorwerpelijke schenking van de weldaden des verbonds, die aan alle bondelingen geschiedt, en de onderwerpelijke toepassing van deze weldaden, die alleen geschiedt aan degenen, die het verbond Gods aanvaarden. Daarom maakt de professor ook dat vreemde onderscheid tusschen de schenking van het verbond door Vader en Zoon en de toepassing er van door den Heiligen Geest, Want het wezen des verbonds is de verbintenis van God, met een eed bezworen en met de zegelen der sacramenten verzegeld, dat God Zijnerzijds de genade des verbonds wil schenken, Maar of iemand deze genade nu ook werkelijk ontvangt, of de Heilige Geest die weldaden des verbonds nu ook aan hem toepast, dat hangt af van het gebruik, dat een bondeling maakt van dat eerste leven, die eerste subjectieve genade, die God aan ieder der bondelingen schenkt, en die toch niet het leven der wedergeboorte is.

Het zal den lezer duidelijk zijn, dat dit het Pelagianisme is, alleen maar toegepast op den kring des historischen ver bonds. Immers is het de leer van Pelagius en Arminius, dat ieder mensch het licht der natuur bezit, daarin een zekere genade van God heeft ontvangen; dat voorts God Zijner zijds met een welmeenend aanbod van genade in het Evan gelie komt en den Christus aan allen aanbiedt; en dat het eindelijk afhangt van dit licht der natuur en van het ge bruik, dat de zondaar van dit licht maakt, of hij de aange bodene genade ook zal deelachtig worden. Alles draait om den vrijen wil des menschen, Wat God zegt en doet is alles voorwaardelijk, en het hangt aIdes af van den mensch, of dit voorwaardelijke nu ook werkelijkheid en zekerheid zal wor den. Nu past het Pelagianisme dit toe op alle menschen. Maar de leer van Prof. Heyns is precies dezelfde, alleen maar met toepassing op den engeren kring des verbonds in den historischen zin.

Als dan ook de professor een poging waagt, om deze voorstelling uit de Belijdenis en verschillende formulieren van de liturgie te halen, dan is deze poging, zooals wel van- zelf spreekt een totale mislukking. De professor haalt aan uit het Avondmaalsformulier en vindt in de dankzegging deze woorden: "Dat Gij uit grondelooze barmhartigheid ons uwen Eeniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, en tot een spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt, en dat Gij ons geeft een waarachtig ge loof, waardoor wij zulke uwe weldaden deelachtig worden." En dan maakt de schrijver deze opmerking daarbij: "Dus het deelachtig worden geschiedt door het geloof en is nog iets anders dan het geschonken zijn." Wij zouden zoo zeg gen: daar gaat het toch niet over, Er is zeker niemand, die ontkennen wil, dat we dienen te onderscheiden tusschen de voorwerpelijke schenking van Christus en de onderwerpe lijke toepassing des heils in Hem. Dat was niet de vraag.' Doch de professor leert, dat we zoo mogen en moeten onder scheiden tusschen deze voorwerpelijke schenking en onder werpelijke toepassing, dat ze ook gescheiden kunnen worden. Iemand kan recht hebben op het bezit der weldaden, omdat God ze hem heeft geschonken, en toch die weldaden wel nimmer kunnen ontvangen. Dat is de voorstelling van Prof. Heyns. En dat is de voorstelling van het dankgebed in het Avondmaalsformulier juist niet. Immers, in dat dankgebed spreekt de gemeente van de schenking en van de toepassing beide. God schenkt en Hij past toe. Het voorwerpelijke en onderwerpelijke wordt hier niet gescheiden, schoon onder- scheiden, Zij aan wie God Christus geschonken heeft, wor den Hem door de genade Gods ook werkelijk deelachtig. 'In dit dankgebed vindt de professor voor zijn voorstelling dus zeker geen steun. Evenmin is dit het geval met yr. 74 van den Heidelbergschen Catechismus, ook aangehaald door Prof. Heyns tot staving van zijn gevoelen.

We lezen daar:

"Zal men ook de jonge kinderen doopen?

"Ja; want mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet weiniger dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den Doop als het teeken des verbonds, der Christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onder scheiden worden, gelijk in het oude verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe verbond de Doop ingezet is."

Ook hier maakt de professor dezelfde opmerking als in verband met het dankgebed van het Avondmaalsformulier. Het antwoord hier maakt onderscheid tusschen de verwer ving en toepassing des heils, Alleen maar gaat de professor hier wat verder en beweert, dat we moeten onderscheiden tusschen recht op bezit en recht op de toepassing, Recht van bezit te geven is de heilgoederen te schenken, zoo doceert Prof. Heyns, doch recht op de toepassing is nog niet de toe passing, Iemand kan wel recht van bezit hebben op de wel daden in Christus; hij kan ook recht hebben op de toepas sing, en toch die toepassing zelf niet deelachtig worden. Doch we merken op, dat deze voorstelling zeker niet ligt in yr. 74 van den Heidelberger. Dit antwoord zegt alleen, dat aan kinderen zoowel als aan volwassenen de toepassing door den Heiligen Geest, zoowel als de objectieve verlossing van de zonden is toegezegd. De onderseheiding, die de professor maakt, vinden we in yr. 74 zeker niet. En bovendien merken we op, dat de professor hier een zeer gevaarlijke scheiding maakt tusschen het werk van Christus en het werk des Geestes. Iemand kan recht hebben op de toepassing des heils en toch nooit het heil ontvangen. Waar krijgt iemand recht op de toepassing des heils? Alleen in het bloed van Christus. Christus' werk is de grond voor dit recht van bezit, waarvan ide professor spreekt. Zoodat de voorstelling van den professor hierop neerkomt, dat iemand wel in Christus recht kan hebben op de zaligheid en toch die zalig heid nooit ontvangen. Men zal dan natuurlijk ook moeten aannemen, dat Christus voor allen die in het verbond zijn in historischen zin, Zijn bloed heeft gestort en dat recht heeft verdiend, En zoo krijgen we in beginsel dan weer de leer van een algemeene verzoening, een Christus pro omnibus. Wij schrijven dit niet, om den ex-professor te kwetsen. Als de zaak niet zoo diep- ernstig was, zonden we hierover niet willen uitweiden. Maar nu mag de zaak dan ook niet anders worden genoemd, dan ze werkelijk is. De voorstelling van Prof. Heyns, die reeds lang in de Christelijke Gereformeerde kerken ingang vond, is door en door Remonstrantsch. En het is te bejammeren, dat de kerken het zoo lange jaren hebben toegestaan, dat de professor met deze Pelagiaansche leer het gevoelen der kerken heeft bedorven en de voorstel ling in Remonstrantsche bedding heeft weten te leiden.

Erger nog wordt bet, als de professor zich wendt tot ons Doopsformulier. Het stuk uit dit formulier, waarop hij het oog heeft en waaruit hij aanhaalt luidt in zijn geheel als volgt:

"Ten tweede betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassching der zonden door Jezus Christus, Daarom wor den wij gedoopt in den naam Gods, des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade op richt, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil, En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo betuigt ons God de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns deeds en Zijner wederopstanding ding inlijvende, alzoo dat wij van alle onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toekigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche ver nieuwing onzes levens totdat wij eindelijk onder de gelijk meente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden."

Wat wil nu Professor Heyns met dit schoone stuk van ons Doopsformulier? Hij wil onderscheid maken tusschen het werk des Geestes aan den eenen kant en het werk des Vaders en des Zoons aan den anderen kant. Van den Vader wordt gezegd, dat Hij ons werkelijk tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, dat Hij Zijn eeuwig verbond der genade werkelijk met ons opricht; van den Zoon, dat Hij ons werkelijk wascht in Zijn bloed van alle onze zonden en ons inlijft in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding; opstanding; maar van den Geest, niet, dat Hij in ons woont en ons heiligt, maar dat Hij in ons wonen en ons heiligen wil. Op dat willen van den Heiligen Geest in onderscheiding van het doen van den Vader en dIen Zoon wil Professor Heyns allen nadruk leggen, En dan zou de beteekenis zijn, dat ook hier weer de toepassing des heils voorwaardelijk wordt voorgesteld. De Heilige Geest geeft dus hier, krachtens tens het verbond der genade wel het recht op de toepassing des heils, maar het wordt niet gezegd, dat Hij het den bonde ling ook werkelijk toepassen zal, Dit willen des Geestes wordt eerst werkelijkheid als de bondeling het verbond inwilligt.

Nu moet het wel duidelijk zijn, dat dit niet de bedoeling is van deze pericoop in het Doopsformulier. Hoe zou het toch mogelijk zijn, om zoo het werk des Vaders en des Zoons aan den eenen kant en het werk des Geestes aan den anderen kant te scheiden? Als de Vader een eeuwig verbond der gelijk nade met ons opricht en ons tot Zijne kinderen en erfgenamen namen aanneemt; als de Zoon ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden en ons inlijft in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding; hoe zou er dan nog twijfel kunnen bestaan, of de Heilige Geest ons ook werkelijk deelgenooten nooten maakt van alle heil, in ons gaat wonen en ons heiligt? Dat is eenvoudig onmogelijk. Dat is geen onderseheiding, maar scheiding van het werk des Vaders en des Zoons en dat des Heiligen Geestes. Het is dan ook duideijik; dat als het Doopsformulier spreekt van een willen des Geestes, dat dit niet bedoelt om de toepassing des heils voorwaardelijk te steilen, maar eenvoudig in overeenstemming is met het eigenaardig karakter van het werk des Geestes. Het is voortdurend en strekt zich uit tot in de toekomst, tot aan de eeuwige volmaking. Dat is niet zoo met de oprichting van het eeuwig verbond, met de inlijiving in Christus, de aan neming tot kinderen, het deelgenoot worden van de gemeen schap aan de opstanding van Christus. Dit alles is het werk van een moment. Maar het- werk des Geestes, of liever ge zegd, het werk van den Driekenigen verbonds God, zooals dat door den Geest van Christus in ons wordt uitgewerkt is blijvend, doorloopt een proces, gaat door tot we in de ge meente der uitverkorenen onbevlekt zullen gesteld worden. Vandaar dat er met het oog op de toekomst van den bonde-- ling gezegd wordt, dat de Heilige Geest in ons wonen wil em ons tot lidmaten van Christus' heiligen wil. -Er is in dit alles niets vreemds. Maar zooals Professor Heyns dit stuk van ons Doopsformulier verkiaren wil, Wordt er wel een - allervreemdste beschouwing uit gedistilleerd. Het is echter wel duidelijk, dat deze beschouwing van Professor Heyns aan het Doopsformulier wordt opgedirongen. Grond voor des professors beschouwing van het verbond biedt dit for- mulier er zeker niet. Hoe zou, op dezen zelfden grond en met dezelfde beschouwing voor de aandacht, de professor toch het dankgebed van ditzelfde formulier over de lippen kun nen brengen? Daar wordt gezegd "Almachtige, barmhar-- tige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen door het bloed van Uwen lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven en ons door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uwen eniggeboren Zoon, en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt en ons dit met den.

- Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt." Dit laatste is toch zeker voor geen tweekrlei opvatting vatbaar. Hier dankt de gemeente, niet voor hetgeen de Heilige Geest wil doen, maar voor een daadwerkelijk feit. God heeft ons en onze kinderen door Zijnen Geest tot lidmaten van Zijn Zoon en tot Zijne kinderen aangenomen. Hier geen recht op de toepas sing, hier geen voorwaardelijke bebofte, maar hier een werk, dat de Heilige Geest werkelijk verricht en aan ons toepast. Neen, in belijdenis of formulieren vindt de professor geen steun voor zijne voorstelling van het verbond der genade.

Doch ook in de Schrift vindt deze voorstelling geen grond. Volgens Professor Heyns is het wezen des verbonds de belofte.  Volgens zijne beschouwing hebben voorts alle kinderen des verbonds in den uitwendigen zin des woords hoofd voor hoofd deel aan die belofte. God schenkt hun allen de belofte des verbonds. Hij belooft ieder in dat ver--- bond het heil. Ze zijn dus allen ook werkelijk kinderen der belofte, naar die voorstelling, en als kinderen der belofte hebben ze allen wezenlijk deel aan het verbond der genade.  Nu is dit juist niet de voorstelling der Schrift. Zelf spreekt Gods Woord dit letterlijk tegen. Zoo toch is de beteekenis van Rom. 9. De apostel handelt in dit hoofdstuk niet over de verkiezing en verwerping in het algemeen, - maar over verkiezing en verwerping zooals ze dwars door de bedding van het historisch verbond snijden den en scheiding maken. Het gaat over Israel der oude bedeeling. Het scheen alsof God het yolk, da-t hij zich eens ten erve verkoren had, thans had verworpen. Immers wat was er van het overgroote deel van Israel geworden? Als natie was het verworpen en had het uitgediend. En een groote meerderheid ging ook niet in in de zaligheid der nieuwe bedeeling, De vraag kwam dus op, of God Zijn volk verstooten had, of het Woord Gods ware uitgevallen, vs. 6. Was het zoo, dat God iets had beloofd, dat Hij niet vervulde? Was Zijn Woord krachteloos geworden? Dit zou juist zoo geweest zijn, indien het ware met Gods verbond, zooals Professor Heyns het voorstellen wil. Dan hadden allen de beloftenis verkregen, dan waren ze allen kinderen der belofte geweest, die zaad Abrahams naar het vleesch genoemd warden.  En dan was het Woord Gods ook zeker krachteloos geworden, want immers allen hadden de vervulling der beloftenis niet gekregen. Doch de apostel onderwijst ons geheel anders. Hij zegt, dat het Woord Gods niet is uitgevallen, en dat wel om de eenvoudige reden, dat allen, die de belofte hadden ook wel degelijk de vervulling hebben verkregen. Het was niet alles Israel, wat uit Israel was. Zij zijn niet allen kinderen, omdat ze Abrahams zaad genoemd worden. Neen, de kinderen des vleesches worden niet voor het zaad gerekend, maar de kinderen der belofte, vs. 7, 8. De apostel maakt dus wel terdege onderscheid tusschen het zaad des vleesches en het zaad der belofte. Niet allen zijn kinderen der belofte. Maar de kinderen der belofte hebben al het heil wel degelijk ontvangen. Het is dus duidelijk, dat de Schrift hier Professor Heyns letterlijk tegenspreekt. De professor leert, dat alle kinderen des verbonds, in uitwendig-historischen zin, ook kinderen der belofte zijn; de Schrift zegt letterlijk, dat dit niet het geval is, maar dat onderscheid gemaakt moet worden tusschen kinderen des vleesches en kinderen der belofte.

Wij kunnen dus op grond der Schrift alsmede der Gere formeerde lijn, zooals die vooral in ons Doopsformulier is aangegeven, allereerst tot dit negatieve resultaat komen, dat de voorstelling van Professor Heyns te verwerpen is. Het wezen des verbonds bestaat niet in een belofte in den zin van een algemeen aanbod.  Alle kinderen des vleesches, of liever, alle uitwendige kinderen des verbonds, alle "bondelingen" ontvangen ook niet een zeker leven. God belooft niet aan ieder kind der geloovigen het heil in Christus Jezus. Evenmin als er een algemeen aanbod in de prediking is aan ieder, die het hoort, evenmin is er ook zulk een algemeene belofte in Gods verbond. Deze voorstelling moet met wortel en tak worden uitgeroeid. Ze ligt geheel en al op de lijn van Pelagius en Arminius.


Hoofdstuk Drie

Een tweede voorstelling van het zaad der geloovigen, zoo als dat met de geloovigen in het verbond Gods en Zijne ge meente begrepen is, is in den laatsten tijd, vooral door den arbeid van Dr. A. Kuyper, en misschien nog meer door de velen, die zich zoo gaarne willen aandienen als discipelen van den grooten man, weer op den voorgrond getreden. We be doelen de beschouwing, die zich onder ons misschien het best laat aanduiden door de uitdrukking: "veronderstelde weder geboorte." Volgens deze voorstelling is heel de gemeente van Christus hier op aarde, zoolang niet zeer beslist het tegendeel blijkt, met betrekking tot al hare leden, jong en oud, te beschouwen als de vergadering der verkorenen en der wedergeborenen, en is van ieder kind, hoofd voor hoofd en ziel voor ziel, dat in den kring dier gemeente geboren wordt, te veronderstellen, dat het reeds door de genade des Heiligen Geestes wedergeboren werd.

Het uitgansgunt dezer voorstelling ligt eigenlijk in een zekere beschouwing van den Doop in een zeker antwoord op de vraag, aan wie het sacrament des Heiligen Doops mag worden bediend door de kerk van Christus op aarde. Im mers, volgens die beschouwing, kan er dan alleen sprake zijn van een sacrament in den werkelijken ken zin des woords, als er, op hetzelfde oogenblik, dat het teeken des sacraments door de kerk wordt bediend, ook een zekere, gansch bijzondere, bij dat sacrament behoorende en aan dat sacrament verbon-- dene genadewerking van den hemel door Christus uitgaat op hem of haar, die het sacrament ontvangt. Gaat op datzelfde oogenblik die genadewerking niet van Christus op den persoon, die het teeken des sacraments ontvangt uit, dan is er eigenlijk geen sacrament. Om ons te bepalen nu bij den heiligen Doop, zoo is er alleen van een sacrament des Doops sprake, als de doopeling ook doopsgenade, dat is, een zekere onderwerpelijke genade, door Christus aan het teeken des Doops verbonden, ontvangt, Zoo schrijft Dr. A. Kuyper in E Voto, II, 534, v.v.:

"En vraagt ge, welke dan nu die wezenlijke beteekenis zij, dan luidt ons antwoord, dat 't wezenlijke van het sacrament altijd hierin gelegen is, dat op het oogenblik zelf van den heiligen Doop of van het heilig Avondmaal, er tweekrlei daad plaats grijpe, de iine op aarde door den dienaar, die het sacrament bedient, en de andere door Christus uit den hemel, die het sacrament heeft ingesteld. Eerst waar deze beide werkingen bij elkaar komen en ineensluiten, is de werking van het sacrament aanwezig en zoo dikwijls deze wer king uit den hemel de toediening van den sacramentsvorm niet verzelt, is het sacrament niet aanwezig, maar slechts een schijnvorm. Dan is in uw Doop in uw Avondmaal een lamp zonder licht, een haard zonder vuur, een long zonder ademhaling, een hart dat niet klopt.… En van tweekn iin, sf er zijn geen sacramenten, en de Heere heeft niets wat daarop gelijkt ingesteld, 6f zoo Hij wel waarlijk een sacrament heeft ingesteld, dan bestaat het wezen van dit sacrament altoos hierin, dat Hij tot Zijne dienaren en tot Zijne kerk zegt: Doe gij dit: richt gij deze uitwendige teekenen aan; en als gij in gehoorzaamheid aan uw Heere deze teekenen aldus aanricht, zal Ik uit den hemel van den troon der genade, de daarbij behoorende genade in de ziel doen werken.

"Zoo dikwijls dus de heilige Doop in het midden der ge meente bediend wordt, hebt ge te verstaan, dat op hetzelfde oogenblik, waarop de dienaar het water van den Doop toe dient, uw Middelaar en Heiland van den hemel, waar Hij aan de rechterhand Gods verhoogd is, een genadewerking werkt in de ziel van het kind of den persoon, die gedoopt wordt ...

"Wie het anders leert, snijdt de kerk van den Christus af; stelt het sacrament op menschenwerk in plaats van op een werking des Heeren; en is er verantwoordelijk voor zoo door deze onheilige opvatting de kerk in den dood terugzinkt."

Voorts stelt dan, in hetzelfde werk, zoowel als in zijn Dictaten Dogmatiek, Dr. Kuyper zich voor de vraag, welke bijzondere genadewerking het wel mag zijn, die door den Heere bepaaldelijk aan het sacrament des Doops verbonden is. En dan weidt hij een oogenblik uit over het begrip genade, met name over genade in den onderwerpelij ken zin des woords, over genade, zooals Gods volk die in het hart uit Christus ontvangt Hij onderscheidt deze nog weer op drie erlei wijze. We kunnen namelijk spreken van een zekere wortelgenade, een genade, die aangebracht, die gewerkt wordt in den diepen levenswortel van ons bestaan. Dat is de genade der wedergeboorte. Deze genade der wedergeboorte wordt echter onder den doop niet gewerkt en door Christus bij den doop niet geschonken. Immers wordt veeleer verondersteld, dat hij, die het sacrament des Doops ontvangt, reeds wedergeboren is. In de tweede plaats spreekt Kuyper van een genade, die aangebracht wordt in de takken van ons leven, in ons bewustzijn, in ons willen en denken, waardoor, in de heiligmaking de uitgangen van ons leven in nieuwe geestelijke richting worden omgezet. Ook deze genade der heiligmaking of der bekeering wordt niet onder en met den doop geschonken. En eindelijk kunnen we dan, volgens Kuyper, nog spreken van een zekere genade, waar door God in Christus aan dat vernieuwde leven nu ook de vruchten van goede werken aanbrengt, overeenkomstig eens iegelijks aanleg, karakter en plaats. Aan deze genade kan bij den doop wel allerminst gedacht worden. Neen, er is een andere, een gansch eenige en bijzondere genade, die we bij den doop ontvangen, en die door Kuyper betiteld wordt met den naam Doopsgenade. En deze Doopsgenade omschrijft hij dan als volgt:

"Vraagt men nu, waar het terrein voor deze geheel bijzondere en eigenaardige sacramenteele genade ligt, dan wijst I Cor. 12:13 ons het spoor. 'We zijn door iinen Geest gedoopt tot iin lichaam'. Juist hetzelfde waarop ook Ef. 4 :5 wees: 'Ein Heere is het, iin geloof, een doop'. Immers ook hier gaat onmiddelijk vooraf:  'Ein lichaam is het en ien Geest.'  Om deze sacramenteele genade te verstaan hebt ge dus slechts hierop te letten, dat gij als rnensch lid van een lichaam zijt. Als schepsel uit Adam lid van het iine lichaam der menschheid; en als nieuw schepsel in Christus lid van het iine lichaam der volmaakt rechtvaardigen. Of dus al in u persoonlijk genade gewerkt wordt, dit is niet genoeg. Tot haar recht komt de genade eerst zoo ze niet op u alleen werkt, maar zoo ze u tevens in verband zet met het lichaam waar ge organisch bij hoort. Ein man op een onbewoond eiland leeft wel, maar toch hij heeft geen leven. Eenvoudig omdat de mensch er op aangelegd is, om in een organischen samenhang met anderen te leven, en dit in zijn leven te zien uitkomen. En zoo nu ook is het met den nieuwen mensch in Christus Jezus, Ook hem is het niet genoeg, dat hij persoonlijk het leven heeft; neen dit nieuwe leven moet ook hem in organischen samenhang met het mystieke lichaam van Christus worden gegund, Anders heeft hij het leven wel, maar het is voor hem geen leven. Er moet dus, zal het wel zijn, een band gelegd worden tusschen zijn leven en tusschen het leven van dat mystieke lichaam. Eerst als dat geschied is en dit voor zijn besef leeft, is waarlijk de volheid des nieuwen levens voor hem opgegaan. Dit toch is het eigenaardige van het leven in hem, dat een kind van God niet alleen bezit, dat hij zelf bezit, maar tevens deel heeft aan al het leven van het geheele lichaam, en aan al wat God in heel dit lichaam schonk. Niet alleen, maar met alle heiligen, moest hij bekennen welke de liefde van Christus zij."

Welnu, hier zoekt Kuyper dan zijn eigenlijke doopsgenade. Die genade bestaat wel niet daarin, dat iemand eerst door haar in het lichaam van Christus zou worden ingezet. Immers, ook Kuiper gevoelt, dat dit alles met de wedergeboorte wordt geschonken. Neen, maar nu moet ons persoonlijk geloof ook zoo werken, dat het straks welbewust in de gemeenschap met dat lichaam van Christus leven kan, en naar die gemeenschap ook kan uitgaan. En die genade, waardoor aan ons persoonlijk geloof die hebbelijkheid wordt geschonken, om naar die gemeenschap met Christus' lichaam uit te gaan en haar te kunnen genieten, is het, die Dr. Kuyper verbindt an het sacrament des heiligen Doops. Immers zoo schrijft Kuyper (idem, p. 543): "Zal dit nu in u tot stand komen, dan is het niet voldoende, dat ge door genade persoonlijk gelooft, maar dan moet evenzeer door genade aan dit uw geloof die hebbelijkheid worden ingeplant, waardoor ge in het gemeenschappelijk geloof ingaat. En deze genade nu, waardoor uw eerst uitsluitend persoonlijk geloof alsnu ook de mogelijkheid, de hebbelijkheid, de neiging en den drang ontvangt, om niet op u zelven voor uw God te staan, maar niet te rusten eer ge als lid van het lichaam van Christus voor den Heilige treedt, dat is die eigenaardige sacramenteele genade, die de heilige Doop toebrengt".... . .

Nu ligt het thans niet op onzen weg, om critiek uit te oefenen op deze voorstelling in den breede. Het was slechts ons doel om duidelijk te maken, hoe de leer eener veronderstelde wedergeboorte bij den doop werd ingevoerd. Doch een enkel woord van critiek mag hier niet achterwege blijven. Daartoe is de zaak zeker te ernstig. Ook wij gelooven, dat ons gereformeerde volk weer zijn doop moet verstaan, en uit Gods verbond moet leven. Maar toch meenen we ook, dat deze voorstelling van een zekere doopsgenade, die bepaaldelijk aan het sacrament des doops verbonden zou zijn en op andere wijze niet geschonken wordt, met wortel en tak dient te worden uitgeroeid. In de eerste plaats mogen we er zeker wel op wijzen, dat er slechts zeer weinigen zullen zijn onder het volk des Heeren, die deze philosofie zullen kunnen volgen en verstaan. Om tot zijn doopsgenade te komen, moet Kuyper onderscheiden en nog eens weer onderscheiden en uitpluizen, onderscheiden tusschen wortelgenade en genade in de takken en in de vruchten; onderscheiden tusschen persoonlijk geloof en geloofsgemeenschap of gemeenschappelijk geloof; in dit geloof nog weer onderscheiden tusschen de hebbelijkheid en de daad er van, om dan eindelijk in de schenking van de hebbelijkheid om in de gemeenschap met het lichaam van Christus te leven de genade te vinden, die bepaaldelijk en alleen bij het sacrament des doops behoort. Als het langs den weg van zulke philosofische redeneering moet, dat Gods volk zijn doop weer gaat verstaan, dan zal het volk des Heeren in het algemeen dien doop zeker nimmer leeren begrijpen. In de tweede plaats merken we op, dat op deze wijze de beteekenis van den doop, wat zijn inhoud betreft, ontzettend arm wordt. Immers, die beteekenis bestaat dan wel hierin, dat de doop een zekere neiging, drang, hebbelijkheid aan het geloof schenkt, om nu ook in de gemeenschap van het lichaam van Christus te leven. Anders niet. Dat verarmt den doop. In de derde plaats wijzen we er op, dat heel de redeneering van Dr. Kuyper over het onderscheid tusschen het persoonlijk geloof en het geloof in gemeenschap met het lichaam van Christus, pure philosofie is. Het is eenvoudig niet waar, dat in de wedergeboorte, waarin we tevens het geloofsvermogen deelachtig worden, ons een geloof zou worden geschonken, dat niet de hebbelijkheid zou bezitten, om in de gemeenschap met het lichaam der volmaakt rechtvaardigen te leven; en dat er daarom een tweede, geheel aparte genadedaad zou noodig zijn, om deze hebbelijkheid of neiging of drang aan dat geloof te schenken. Wie wedergeboren wordt, wordt uit den opgestanen Heiland geboren. Wie door de wedergeboorte het geloofsvermogen ontvangt, is door dat ge1oof ook Christus ingeplant, op datzelfde oogenblik, leeft niet meer zichzelf, of uit zichzelf, maar uit Christus. En wie uit Christus leeft, die leeft ook, krachtens den aard van dat wedergeboren leven, uit het lichaam van Christus. Met andere woorden, er is geen persoonlijk geloof, en er laat zich ook geen persoonlijk geloof denken, dat tevens niet den drang in zich heeft, om in de gemeenschap met het lichaam van Christus te leven. In de vierde plaats merken we op, dat zoo geheel het verband tusschen het teeken en de beteekende zaak verdwijnt, en dat het sacrament geheel naar de sfeer van het mystieke wordt verschoven. Wie zou als hij ziet op het waterbad in den doop, op het ingaan in en op het weer opklimmen uit dat waterbad, nu ooit daarin een beeld zien van die zoogenaamde doopsgenade, waarvan Kuyper spreekt, van die hebbelijkheid of drang om in de gemeenschap met het lichaam van Christus te leven? De symboliek van den doop is zeer rijk. Er wordt zeker allereerst in afgebeeld, dat door het bloed van Christus onze zonden vergeven en wij in dat bloed gewasschen zijn. Er wordt, naar de Schrift, in afgebeeld, dat wij met Christus gestorven en begraven zijn en weer zijn opgewekt tot ien nieuw leven. Er wordt, naar Gods Woord, ook in afgebeeld, dat we gescheiden zijn van de tegenwoordige booze wereld, en nu als Gods verbondsvolk in een nieuw godzalig leven wandelen. Doch dit alles gaat eenvoudig teloor, als we de eigenlijke beteekenis van den doop moeten zoeken in die gansch bijzondere en aparte genade, waarvan Kuyper spreekt. En eindelijk merken we nog op, dat Kuyper ons op die wijze weer op het Roomsche spoor brengt, en de genade Gods opsluit binnen het instituut van zekere kerk. We ontkennen natuurlijk niet, dat het sacrament in den vollen zin des woords zekere genadewerking van Christus uit den hemel insluit. Maar wel ontkennen we, dat die genadewerking een gansch bijzondere is, die zonder de toediening van den sacramentsvorm door de kerk op aarde niet zou worden geschonken. We loopen gevaar langs dien weg het instituut der kerk op aarde weer op Roomsche wijze te gaan verheerlijken, zooals velen in onze dagen dan ook metterdaad doen, en van dat instituut de uitdeelster der genade van Christus te maken, haar aldus schuivende tusschen Christus en Zijne gemeente. Daarom dient dan ook tegen deze beschouwing van den heiligen doop, als niet naar de Schriften, als den doop verarmend, als ons leidend op het spoor der Roomsche priester-overheersching met al wat in ons is te worden gewaarschuwd. Ze biedt ons philosofie in plaats van den Woorde Gods, steenen voor brood.

Doch het was niet op deze doopsbeschouwing, dat we thans de aandacht wilden vestigen. We wilden slechts aantoonen, dat het deze verkeerde beschouwing is, die noodwendigerwijze leidde tot die andere beschouwing der veronderstelde wedergeboorte bij den doop der kleine kinderen. Immers is het wel duidelijk, dat zal de doop der kleinen werkelijk sacrament zijn, dat dan ook bij hem op dat eigen oogenblik, dat de dienaar des Woords en des sacraments water sprengt op het aangezichtje van het te doopen kindje, die bepaalde doopsgenade aan dat kindje moet worden geschonken door Christus uit den hemel. Anders is, naar die beschouwing, ook de kinderdoop ledig en een lamp zonder licht. Doch zal die bepaalde doopsgenade aan kleine kinderen worden geschonken, dan moet eerst het leven der wedergeboorte reeds in het hart aanwezig zijn, en met dat leven der wedergeboorte het geloofsvermogen. Nu redeneert Kuyper (E Voto, III), verder, dat God dit geloofsvermogen zoowel in de harten der kleine kinderen kan werken als in de harten der volwassenen. Voorts maakt hij duidelijk, dat God dit ook doet, krachtens Zijn oprichten van Zijn verbond in de lijn der geslachten. En waar het, volgens Kuyper, vaststaat, dat alleen daar het sacrament des doops mag worden bediend, waar dit geloof, zij het dan ook slechts als vermogen aanwezig is; en waar het ook feit is, dat we toch niet met zekerheid kunnen zeggen, of een zeker kind het leven der wedergeboorte bezit, ja dan neen, (immers was Ezau ook kind des verbonds), daar moeten we uitgaan van de veronderstelling, dat de kinderen der geloovigen wedergeboren zijn en op grond van die veronderstelling alleen heeft dan de kinderdoop recht van bestaan. Om nogmaals Kuyper zelf te laten spreken:

"Wij handgaven daarom met beslistheid zonder zweem van aarzeling het oude echt gereformeerde standpunt, dat naar onze innigste overtuiging volkomen waar, Godverheerlijkend en Schriftuurlijk is, t.w., dat de zake onzer zaligheid en ook der zaligheid onzer kinderen niet aan onze geloofsuiting, maar aan Gods verborgen werk in onze ziel hangt, en dat er bij ons noch nu noch ooit van geloofsopenbaring sprake kan zijn, of het verborgen en geheimzinnige werk Gods in onze ziel moet vooraf zijn gegaan. Ten tweede, dat het ons niet voegt eenige bepaling of beperking te maken, hoe kort of lang dit werk Gods in onze ziel aan onze bekeering vooraf zou moeten gaan, en dat derhalve de vrijmacht Gods moet erkend en beleden, om dit verborgen genadewerk in onze ziel reeds aan te brengen in onzer moederschoot. Ten derde, dat alleen dit voorafgaande en reeds vssr of bij onze geboorte begonnen genadewerk Gods ons grond geeft voor onze hope, dat onze kinderen, die vroeg wegsterven, niet verloren zullen zijn. En ten vierde, dat bij de onzekerheid, of de kinderen die ons geboren wierden, vroeg of laat zullen sterven de mogelijkheid van zulk een genadewerk Gods in de ziel van ons kind, bij al onze kinderen moet worden aangenomen. En ten vijfde, dat uit dien hoofd alle kinderen der geloovigen te beschouwen zijn, als niet slechts in schijn, maar wezenlijk in het verbond van Gods genade begrepen" (Idem, III, 11, 12).

En verder:

"Aan ieder uitverkorene, die het beginsel des nieuwen levens door de verborgene werking van den Heiligen Geest in zijn hart ontving, komt even uit dien hoofde het sacrament van den Heiligen Doop toe. Ziehier onze eerste stelling. En de tweede, die hier onder komt te staan is, dat God de Heere, naar Zijn vrijmacht dit beginsel des nieuwen levens of der wedergeboorte, door zijnen Heiligen Geest, zoowel in den volwassene als in den nog niet volwassene, en tot in het kleine kindeke kan werken; en, blijkens het vroeg wegsterven van de helft van het menschdom, feitelijk gewerkt heeift en nog werkt. Doop dus waar wedergeboorte is; en wedergeboorte is denkbaar zoowel in een pasgeboren wicht als in een grijsaard van tachtig jaren. En aan deze twee nu voegen we als derde stelling dit toe: Noch bij den volwassene, noch bij het kindeke heeft de kerk, die den heiligen Doop moet toedienen, ooit wiskundige zekerheid, dat de zich aanbiedende of aangeboden persoon metterdaad wedergeboren zij. Verder dan tot vermoeden, gissing of veronderstelling komt de kerk nooit."

Ziedaar de leer van de zoogenaamde veronderstelde wedergeboorte. Zij wil alle kinderen der geloovigen als wedergeboren beschouwen op grond van eene veronderstelling. En eerst op grond van zulk eene veronderstelling wil ze aan kleine kinderen der geloovigen den heiligen Doop toedienen. Waar dit niet verondersteld zou mogen worden, zou naar deze voorstelling ook de doop niet mogen worden bediend.


Hoofdstuk Vier

De voorstelling, dat de kinderen des verbonds allen verondersteld moeten worden wedergeboren te zijn, en dat eerst op grond van zulk eene veronderstelling de Heilige Doop mag worden bediend aan het zaad der kerk, is wel weer in den laatsten tijd op den voorgrond getreden, met name door den arbeid van Dr. A. Kuyper; doch daarmede is volstrekt niet beweerd, dat ze slechts enkele jaren oud zou zijn. Integendeel mag van haar gezegd, dat ze dagteekent uit de zeventiende eeuw; en dat er in de periode, die door de synode van 1924 genoemd werd "de bloeitijd der Gereformeerde theologie" onderscheidene theologen waren, die de zaak alzoo voorstelden, is bekend. Zelfs schreven de Professorren M. Noordtzij, D. K. Wielenga, H. Bavinck en P. Biesterveld, dat "het standpunt van alle Gereformeerden tot ongeveer het midden der zeventiende eeuw toe"' was, "dat de kinderen even goed als de volwassenen geloovigen waren." (Opleiding en Theologie, p. 76). Juist hoe Calvijn deze zaak voorstelde, valt niet met beslistheid te zeggen, schoon men soms den indruk ontvangt, dat ook hij bovengenoemde voorstelling verdedigt, In zijn Institutie IV, 16, 20 schreef hij: "dat namelijk de kinderkens worden gedoopt tot het geloof en de bekeering, die zij later hebben sullen, van welke beide gaven het zaad door de verborgene werking van den Geest reeds in hen is, schoon de gaven zelve hare gestalte nog niet hebben." Hier wordt wel beweerd, dat kleine kinderen in hun prilste jeugd de gave der wedergeboorte, als een zaad des geloofs en der bekeering kunnen deelachtig zijn, iets dat niemand zal ontkennen. Doch de gevolgtrekking, dat Calvijn dit van alle kinderen, die in het verbond geboren worden zou willen veronderstellen, is daarom nog niet gewettigd. Vooral waar, even later Calvijn een gansch anderen indruk geeft, zou men te ver gaan, zoo men dit uit zijn schrijven zou willen concludeeren. In IV, 16, 21 toch schrijft Calvijn tegenover hen, die den Kinderdoop bestrijden: "Zij geven daaruit wel voor, dat er voor den Kinderdoop niets overblijft dan dat hij een ijdele rook is, omdat hij namelijk ver van deze waarheid af is; maar zij vergrijpen zich door dit misbegrip, dat zij willen, dat de beteekenende zaak altijd aan het teeken in tijd zal voorafgaan." Zacharias Ursinus schrijft in zijn Verklaring op den Heidelbergschen Catechismus (vertaling van C. Van Proosdij) 11:12: "De kleine kinderen gelooven immers op hunne manier of naar de bevatting van hun leeftijd, omdat zij een neiging tot gelooven hebben. Het geloof is bij de kleine kinderen in kiem (potentie) en in neiging aanwezig, al zij het niet in werking als bij de volwassenen. Evenals de kleine kinderen der goddeloozen geen werkelijke goddeloosheid, maar een neiging tot goddeloosheid hebben; zoo hebben ook de kinderen der vromen geen werkelijke vroomheid, maar een neiging tot vroomheid; niet van nature voorzeker, maar uit de genade des verbonds. Ook de kleine kinderen hebben den Heiligen Geest en worden door Dezen wedergeboren overeenkomstig hun leeftijd, evenals Johannes alreede in den moederschoot met den Heiligen Geest vervuld was en er van Jeremia staat: 'Eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd,' Jer. 1:5. Bezitten de kinderen den Heiligen Geest, zoo werkt Hij ook in hen de wedergeboorte, de goede neigingen, de nieuwe bewegingen en al het andere, dat voor hen ter zaligheid noodwendig is; of voorzeker Hij neemt de plaats van deze alle in en is hun voor den doop genoegzaam." Ook hier wordt intusschen niet gezegd, dat we van alle kinderen van hunne geboorte af aan moeten veronderstellen, dat ze wedergeboren zijn. Veeleer toont de besliste taal hier, dat Ursinus het oog heeft op de uitverkoren kinderen des verbonds alleen. Ds. A. M. Diermanse, De Uitverkoren Kinderen Wedergeboren Eisch des Verbonds haalt aan uit het welbekende werk van Kramer: "Bullinger zegt, dat de kinderen den H. Geest hebben. Zoo ook Micronius Van ` Lasco legt Kramer ons in weerwil van alles, geen krachtiger en ondubbelzinniger getuigenis voor, dan dit, dat het geloof den kinderen wordt toegerekend, dewiji zij Christus toebehooren en Christus alles in hen vervult, hoewel hij weliswaar uitspraken ons voorlegt, die doen denken aan de mogelijkhed van een wedergeboorte terstond bij het ontvangen van het menschelijk aanzijn. Uit den Londenschen Catechismus geeft Kramer ons de weinig bepaalde uitspraak, dat de kinderen door den Geest ook tot tempelen Gods geheiligd worden.

"Guy de Bris spreekt aldus: de Apostel zegt, 'dat degene, die den Geest Christi niet heeft, die en comt hem niet toe. De kinderkens comen Christo toe, so hebben sy dan den Geest Christi. De kinderkens worden oock door Godes Geest vernieut, na de mate ende begrijpelijckheyt haeres Ouderdoms. Ende deze Goddelijcke cracht die in 'hen verborgen is, wast ende neemt allengskens toe, ende vertoont haer te zijner tijt claerlijck!'"

Voorts worden in hetzelfde werkje van Diermanse nog anderen genoemd als voorstanders van soortgelijke voorstelling van de kinderen des verbonds, zooals Dathenus, Manzo Alting, Casper van der Heyden, Jean Taffin, Kimedoncius en Acronius. Ook Franciscus Junius moet verdedigd hebben, dat de kinderen het geloof hebben in beginsel der hebbelijkheid, dewijl zij den Geest des geloofs bezitten. En Festus Hommius drukte zich zoo uit, dat de kinderen "het geloof hebben in de eerste actie, in den wortel en in het zaad. "Voetius leerde, dat alle uitverkorenen uit geloovige ouders in het verbond geboren, zoodra ze geboren worden ook de wedergeboorte deelachtig worden. Revetus en. Vossius leerden, dat de kinderen van den doop af wedergeboren zijn. Voorts worden door Kramer nog genoemd Puppius, Udemannus, Bontemps, Bastingius, Waleus, Gomarus, Maccovius, Leydekker, Fitsius, Vitringa, e. a.

We mogen echter in betrekking tot deze uitspraken van Gereformeerde theologen niet voorbijzien, dat er een aanmerkelijk verschil blijft bestaan tusschen hunne voorstelling en die van zekere veronderstelde wedergeboorte in betrekking tot alle kinderen des verbonds, zonder onderscheid. Immers de vaderen spraken niet van eene veronderstelling, maar van zekerheid des geloofs. De kinderen behoorden Christus toe, volgens hunne voorstelling, daarom waren ze dan ook wedergeboren en hadden den Heiligen Geest. Zij zijn, naar hunne voorstelling, heilig, en bezitten het geloof in kiem. Er is in dit alles geen veronderstelling, maar zekerheid. Nu is het waar, dat ze in deze uitspraken geen onderscheid maken tusschen kinderen der belofte en kinderen des vleesches. Maar toch is wel duidelijk, dat ze het oog hebben alleen op de eerste, en dus bedoelen het uitverkoren zaad der kerk. Van de uitverkoren kinderen beleden ze, dat deze, in het verbond geboren, ook terstond wedergeboren zijn.  En dit is zeker gansch iets anders dan de bewering, dat we van alle kinderen des verbonds, zonder onderscheid, moeten veronderstellen, dat ze van hun jeugd af wedergeboren zijn. Ook kan het de aandacht niet ontgaan, dat er in de belijdenisschriften der Gereformeerde kerken geen spoor van zulk eene voorstelling te ontdekken valt. Nergens wordt beweerd, dat de doop bediend wordt aan kleine kinderen op grond van de veronderstelling, dat alle kinderen hoofd voor hoofd, in het verbond geboren, wedergeboren zijn. Zelfs wordt niet staande gehouden, dat de uitverkoren verbondskinderen bij de geboorte reeds wedergeboren zijn. We lezen in Vr. 74 van den Heidelbergschen Catechismus: "Zal men ook de jonge kinderen doopen? Ja; want mitsdien zij, zoowel als de volwassenen, in het verbond Gods en in Zijne kerk begrepen zijn, en hun door Christus' bloed de vergeving der zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder als den volwassenen beloofd worden, zoo moeten ze ook door den doop der kerke Gods ingelijft en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden; gelijk in het oude verbond door de besnijdenis geschiedde voor welke in het nieuwe verbond de doop ingezet is." En in Art. 34 lezen we aangaande den doop van kleine kinderen het volgende: "Hierom verwerpen wij de dwaling der Wederdooperen, die niet tevreden zijn met een eenig doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemen den doop der kinderkens der geloovigen, dewelke wij gelooven, dat men behoort te doopen en met het merkteeken des verbonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israel besneden werden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zjn. En voorwaar, Christus heeft zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het sacrament van hetgene, dat Christus voor hen gedaan heeft," etc. Er is in deze uitspraken onzer belijdenis zeker geen zweem van een leer der veronderstelde wedergeboorte bij alle kinderen in het verbond geboren. Ook spreken de belijdenisschriften zich er niet over uit of de uitverkoren kinderen des verbonds van hunne jeugd af wedergeboren zijn. Zelfs wordt de leer eener veronderstelde wedergeboorte niet gevonden in het doopsformulier, zooals wel eens ten onrechte wordt beweerd. Daar wordt in het dankgebed gezegd: "Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen door het bloed van uwen lieven Zoon Jesus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uwen eeniggeboren Zoon en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt en ons dit met den Heiligen Doop verzegelt en bekrachtigt," etc. Schoone en sterke geloofstaal, voorwaar; maar daarom ook des te meer van alle veronderstelling vrij.  We komen hierop later terug. Slechts willen we thans reeds de opmerking maken, dat deze taal zeker nimmer te verstaan zij, tenzij we uitgaan van het organisch bestaan der gemeente, die hier dankt voor de weldaden aan de uitverkoren kern der gemeente, waarnaar heel de gemeente wordt genoemd, geschonken in Christus Jezus. En ook de Utrechtsche conclusies laten de eigenlijke zaak tamelijk onbeslist. Met betrekking tot de onderstelde wedergeboorte spreken zij uit, dat het "minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen bediend wordt op grond van hunne onderstelde wedergeboorte."  En met het oog op de vraag of elk uitverkoren verbondskind metterdaad wedergeboren is bij zijne geboorte, sprak die synode van Utrecht uit, "dat de stelling, dat elk uitverkoren kind reeds voor den doop metterdaad wedergeboren zou zijn, noch op grond van de Schrift, noch op grond van de belijdenis te bewijzen is, dewijl God Zijne belofte vervult naar Zijne vrijmacht op Zijn tijd, hetzij voor of onder of dan den doop." Veel hebben we aan deze uitspraken niet daar ze negatief zijn en tamelijk onbelijnd. Doch ze kunnen dienen om aan te toonen, dat na alles wat er geschreven is, geen scherpe en belijnde voorstelling bestaat in betrekking tot het zaad der geloovigen. Er is hier zeker nog ruimte voor verdere ontwikkeling, op grond van den Woorde Gods en binnen de perken der lijnen reeds in de belijdenisschriften getrokken.

En dan meenen we, dat we nooit tot een rechte beschouwing van het zaad des verbonds kunnen komen, zoolang we aarzelen, om de duidelijke leer van Gods Woord te aanvaarden, dat niet alles Israel is, wat Israel heet, dat niet alle kinderen in de historische openbaringen van Gods verbond op aarde geboren, ook werkelijk kinderen der belofte zijn, maar dat de lijn van verkiezing en verwerping ook dwars door de zichtbare openbaring van het verbond heensnijdt en scheiding maakt, altijd weer scheiding maakt tusschen Israel naar het vleesch en Israel naar de belofte. Of negatief gesproken, kunnen we nooit tot een zuiver-Schriftuurlijke beschouwing van deze waarheid geraken, zoolang we trachten vast te houden aan de voorstelling, die van alle kinderen in het verbond, naar dezen uitwendigen vorm, geboren, wil veronderstellen, dat ze wedergeboren zijn. In de eerste plaats mag zeker worden opgemerkt, dat de Kinderdoop en het recht er van niet kunnen rusten op eene veronderstelling. Het is waar wat Kuyper opmerkt, en ook anderen dikwijls hebben opgemerkt, dat ook de Wederdoopers en Baptisten geen zekerheid kunnen erlangen in betrekking tot den geestelijken toestand der te doopen leden der kerk, om de eenvoudige reden, dat niemand in het hart kan zien, dat nooit met absolute zekerheid is uit te maken in betrekking tot een ander, of hij wedergeboren zij, of zelfs ook uitverkoren is, ja dan neen; en dat, dientengevolge dit ook bij de Baptisten een veronderstelling moet blijven. Men wil alleen geloovigen doopen. Doch of iemand als een geloovige te beschouwen is, ja dan neen, zal zeker moeten afhangen van zijn belijdenis. Die belijdenis kan echter onwaar zijn. Zelfs is er alle grond in de Schrift om te gelooven, dat er belijders zijn, die toch niet gelooven. Zoo komt men ten slotte toch bij eene veronderstelling uit. Doch hoe waar dit alles ook zij, dit geeft nog geen recht, om ook bij ons den doop aan kleine kinderen te laten rusten op een veronderstelling. Veeleer leidt dit alles tot de conclusie, dat indien het waar zou zijn, dat de zichtbare kerk den doop alleen mag toedienen aan wedergeborenen of aan geloovigen, en aan niemand anders, zij in strikten zin genomen moet ophouden te doopen. De doop aan kleine kinderen bediend, moet rusten op een vasteren grond dan eene bloote veronderstelling ons biedt. Doch dit alles daargelaten, blijft het waar, dat de veronderstelling, waarvan hier sprake is, geestelijk en psychologisch onmogelijk is, om de zeer eenvoudige reden, dat we vooraf weten, dat hetgeen we veronderstellen willen niet waar is. Iets te veronderstellen, waarvan we zeker zijn, dat het niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, zooals die is geopenbaard in Gods Woord, en zooals we die door de geschiedenis en door de dagelijksche ervaring leeren kennen is ten eenenmale onmogelijk. Nu weten we, dat niet alle kinderen des verbonds in den uitwendigen zin des woords genomen, wedergeboren zijn. We weten, dat niet al wat in de kerk geboren wordt, ook uitverkoren is. Dat maakt de veronderstelling zonder eenigen grond en ook metterdaad onmogelijk.

Dat bedoelde veronderstelling niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, kan voor ieder, die uit Gods Woord wil leeren en leven, duidelijk zijn. Historisch loopt de lijn van Gods verbond uit Adam over Seth naar Noach, uit Noach over Sem naar Abraham, uit Abraham over Israel en Juda en David naar Christus, om uit Christus in alle geslachten der menschheid kinderen Abrahams te raken. Doch waar men ook die historische lijn van Gods verbond in ge geslachten beschouwt, nooit is alles Gods volk wat Gods volk heet, De kinderen van Seth vermengen zich met de kinderen van Kain, hetgeen natuurlijk veronderstelt, dat niet alle Sethieten ook werkelijk geestelijke kinderen des verbonds waren. In het tiende geslacht zijn de kinderen van Sem, uit wier midden Abraham geroepen werd, afgodendienaars, wel een bewijs, dat ook destijds het vleeschelijke zaad met het geestelijke vermengd lag. En hoe is het later met de kinderen Abrahams en de geslachten Israels? De Heere spreekt dat volk soms toe en doet Zijne profeten over dat volk klagen, alsof er ganschelijk geen geestelijk element meer onder hen ware en allen verworpen waren van Gods aangezicht. Wel worden ze Gods volk genoemd, wel zijn ze het volk, dat de verbonden heeft en de beloftenissen, maar toch zijn het geen kinderen der belofte. Over dat volk klaagt de Heere, dat Hij den geheelen dag Zijne handen heeft uitgestrekt tot een ongehoorzaam en een tegensprekend volk (Jes. 65:2; Rom. 10:21). Het is een volk, dat dwaalt met zijn hart en dat Gods wegen niet kent. Ze zijn minder dan de heidenen, want dezen zijn onbesnedenen naar het vleesch, maar Israel is onbesneden naar het harte (Ps. 95 :10; Jer. 9:26; Hebr. 3 :10). Het waren hardknekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, die altijd den Heiligen Geest wederstonden (Hand. 7:51). De profeet Jesaja wordt naar dit volk gezonden om het Woord des Heeren te verkondigen, met het bepaalde doel, dat ze hoorende zullen hooren en niet verstaan en ziende zullen zien, maar niet bemerken. Hij moet het hart des volk dik maken en hunne ooren zwaar en hunne oogen sluiten, opdat het niet hoore en niet zie en niet versta en zich niet bekeere en God het geneze! En dit alles moet doorgaan totdat er geen inwoner meer in het land zij en de steden verwoest worden en de Heere ze verre van Zich weggedaan zal hebben, Jes. 6:9-12. Het is een volk, dat de profeten doodt en steenigt, dat altijd weer hun woord veracht, vreemde goden navolgt, en alle gruwelen der heidenen na doet, zoodat het Sodom en Gomorra gelijk wordt, den Heer der heerlijkheid aan het kruis hangt en zoo zelf verworpen wordt, zijn huis hem woest gelaten zijnde. Wie zou met het oog op de gesehiedenis, zooals Gods woord ons haar heeft geopenbaard den moed kunnen hebben, om te zeggen, dat we van alle kinderen, in het verbond geboren, moeten veronderstellen, dat ze wedergeboren zijn? In het oude verbond dronken ze allen uit de geesteijike steenrots, dewelke was Christus, nadat ze allen in Mozes waren gedoopt, en ze aten allen dezelfde geesteijike spijs. Doch in het meerendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad en Hij heeft ze in de bange woestijn ter neer gestort, van Zich gestooten.

De vraag is maar: hoe verklaart ge dit alles? Hoe is het te verstaan, dat zij, die in de lijn der geslachten van Gods verbond geboren waren, welker was de aanneming tot kinderen en de verbonden en de wetgeving en de dienst van God en de beloftenissen, toch ten slotte de belofte niet verkregen? Is het toch misschien zoo, dat Gods verbond voorwaardelijk is en dat de verwerkelijking afhangt van des menschen vrijen wil? Is er toch, in den kring van het historisch verbond op aarde, een zekere algemeene verbondsgenade, die kan worden aangenomen en verworpen? Moeten we ten slotte toch gaan spreken van een welmeenend aanbod van genade en zaligheid van Godswege aan een volk, dat op zoo schrikkelijke wijze verworpen werd door zijn God? De apostel is in Rom. 9 ook bezig met deze vraag.  Doch Gods Woord biedt ons daar juist een gansch andere voorstelling. En de voorstelling, die de Schrift ons daar biedt, komt in het kort hierop neer: Gods volk openbaart zich naar Gods verbond hier op aarde wel in de lijn der opeenvolgende geslachten; die geslachten dragen naar het eigen bestel Gods ook wel het merkteeken des verbonds en worden met den naam van Gods volk, waarmee het op natuurlijk-organische wijze is saamgestrengeld, wel genoemd; maar dit wil juist niet zeggen, dat allen in die geslachten hoofd voor hoofd en ziel voor ziel nu ook waarlijk Gods kinderen zijn. Allen, die uit Israel zijn, zijn geen Israel. En niet de kinderen des vleesches, maar de kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend.  Want de lijn van verkiezing en verwerping snijdt dwars door de geslachten van het verbond heen.

Langs deze lijn alleen kunnen we geraken tot een Schrif tuurlijke opvatting van de geloovigen en hun zaad.


Hoofdstuk Vijf

 

Tot een rechte beschouwing van de geloovigen en hun zaad is zeker noodig, dat we de aandacht vestigen op de beteekenis van Gods verbond. Het is juist op dit stuk van het verbond, dat de Gereformeerden verschillen van Wederdoopers en Baptisten van allerlei richting. Het verschil moet niet worden gezocht in het onderscheid tusschen onderdompeling en besprenging, want op dit punt bestaat er geen wezenlijk verschil. Gereformeerden immers geven gaarne zonder slag of stoot toe, dat het volle teeken des doops in het bad is, waarin we ondcrgaan en waaruit we weer opkomen, als teeken van het begraven worden met Christus en het weer opstaan tot een nieuw leven met Hem; alleen maar houden ze vol, dat het wezen des doops niet in het uitwendig waterbad mag gezocht, en dat daarom geheel rein is, wie zijn voeten gewasschen en ook wie zijn voorhoofd besprengd heft.  Ook is dit verschil niet uit te maken door een enkelen tekst aan te halen, zooals men van de zij de van het Baptisme zoo gaarne mag doen. Men meent dan, dat de strijd eigenlijk beslist is, wanneer men gewezen heeft op hetgeen de Heiland aan zijn jongeren beveelt kort voor zijn hemelvaart, om namelijk het Evangelie te verkonidigen aan alle creaturen, er aan toevoegende: "wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden." Men legt er dan nadruk op, dat de Heiland hier het geloof vssr den doop stelt en niet andersom, en dat daarom alleen zij, die eerst belijdenis van hun geloof hebben afgelegd, het teeken des doops mogen ontvangen. Zoo aan de oppervlakte ligt de zaak niet. Gods Woord is geen woordenboek, waaruit men maar op den klank af even kan aanhalen. Immers, afgedacht nog van het feit, dat kleine kinderen zoowel als volwassenen het ware geloof kunnen bezitten en van het tegenovergestelde feit, dat volwassen belijders dat geloof wel kunnen missen zoowel als kleine kinderen, blijft dit toch feit, dat het woord van den Heiland boven aangehaald, naar zijn verband, alleen kan slaan op het indragen van het Evangelie des heils in de wereld des heidendoms. De Heiland zendt Zijne jongeren de wereld in, met de verkondiging des Evangelies, met het getuigenis van Zijn dood en opstanding, met de belofte van vergeving en leven in Zijn bloed. En het ligt in den aard der zaak, dat dan de regel moet zijn en blijven: wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Ook de Gereformeerden doen dit niet anders, als ze ingaan in de heidenwereld met de getuigenis van den Christus. Doch dit zegt niets met betrekking tot het recht van den kinder doop. Neen, het verschil ligt wel degelijk op het stuk des verbonds.  Voor dit stuk hebben de Baptisten eenvoudig geen oog, met name niet voor de historisch-organische ontwikkeling van dat verbond op aarde in de lijn der geslachten. En daarmede sluiten ze hun oog voor een der hoofdlijnen der Heilige Schrift. Op dit stuk zullen we daarom de aandacht moeten vestigen. We zullen moeten vragen, waarin het wezen van Gods verbond moet worden gezocht, hoe God dat verbond in de historie verwerkelijkt, en waarom en in welken zin het zaad der geloovigen in dat verbond begrepen is.

En dan willen we uitgaan van de gedachte, dat God een verbonds-God is. Hij is dat in zichzelf, afgedacht van eenige relatie tot Zijn schepsel. Van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft de oneindige God in zichzelf het volmaakte goddelijke leven des verbonds. Dit volgt uit Gods driekenig bestaan, God is in wezen ien. Hij is ien in betrekking tot alles, wat tot de goddelijke natuur behoort en tot Zijne wezenseigenschappen. Er is ien goddelijk verstand en ien goddelijke wil. Er is ien goddelijk leven en ien goddelijk hart. En in al Zijne deugden van almacht en wijsheid, van eeuwgheid en alomtegenwoordigheid, van onveranderlijkheid en onafhankelijkheid, van goedheid en genade en liefde, is God de Heere volmaakt ien. Ook is Hij goed, de volmaakte in zichzelf en de Fontein aller goeden. Want Hij is een licht en er is gansch geen duisternis in Hem. Hij is de Heilige, die een ontoegankelijk licht bewoont en voor wiens aangezicht de serafijnen zelfs hunne aangezichten moeten verbergen. Daarom is er in God een goddelijk-volmaakt, eeuwig en oneindig lichtleven der liefde. Maar God is ook drie in personen. Want er zijn drie, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest. Er zijn in het iene goddelijke Wezen drie ikken, drie subjecten van heel dat goddelijk leven. Een goddelijk Wezen, doch drie, die dat Wezen dragen. Een goddelijk leven, doch drie, die dat leven leven. Een goddelijk verstand, doch drie, die in dat goddelijk verstand denken. Een goddelijke wil, doch drie, die in dien godelijken wil willen. Een goddelijke liefde, doch drie die met die goddelijke liefde liefhebben. Zoo openbaart ons de Schrift onzen God. Daar komt dan nog bij dat deze drie personen, schoon wezenlijk volmaakt ien en gelijk, toch naar Hunne personeele eigenschapen onderscheiden zijn. Zij dragen wel allen het goddelijke Wezen, doch niet allen op gelijke wijze. Want immers de Vader is Vader, uit wien alle dingen zijn. Uit Hem zijn ook eeuwiglijk alle dingen binnen het goddelijke Wezen. Van eeuwigheid tot eeuwigheid genereert Hij den Zoon en geeft Hem eeuwiglijk het leven te hebben in zichzelven; en van eeuwigheid tot eeuwigheid spireert Hij den Geest, die eeuwiglijk van Hem getuigt. Daarom leeft en denkt en wil en lieft de Vader dan ook in dat volle, eeuwig-volmaakte goddelijke liefdeleven als Vader. De Zoon is Zoon in heel Zijn goddelijk leven en lieven Hij wordt van den Vader eeuwiglijk gegenereerd en is daarom het uitgedrukte beeld van des Vaders zelfstandigheid. Op oneindig-volkomen wijze weerspiegelt Hij het beeld des Vaders. Hij denkt en wil en heeft lief en leeft eeuwiglijk als Zoon in het oneindig Wezen Gods. En ook spireert Hij den Geest, die ook eeuwiglijk van Hem getuigt. De Heilige Geest is Geest, dat is, Hij wordt van den Vader en van den Zoon gespireerd. Hij gaat van beiden uit, en dan wel zoo, dat de Vader en de Zoon elkander in den Geest ontmoeten. In den Heiligen Geest staat de Vader met het aangezicht naar den Zoon en de Zoon met het aangezicht naar den Vader. Want het Woord is bij God en de Zoon is in den schoot des Vaders.  De Geest onderzoekt de diepten Gods en leeft en denkt en wil en heeft lief als Geest. Hij is de Geest der waarheid en getuigt en is, in het goddelijk liefdeleven de sluitband. Zoo is dan God in zichzelf de eeuwig levende. Er is bij de meest volmaakte eenheid in Wezen toch persoonlijke onderscheiding. Vader, Zoon en Heilige Geest, willende en denkende, levende en lievende in het eene eeuwig-goede en volmaakte goddelijke Wezen, denken en willen en lieven altijd hetzelfde, en kennen elkander volkomenlijk en toch weer zoo, dat elk dezer drie personen naar zijne personeele eigenschappen dat goddelijke leven leeft. Hierin nu schuilt het wezen des verbonds. Dat leven Gods is een verbondsleven, een leven van de meest innige gemeenschap der liefde en der vriendschap, rustend in de eenheid des Wezens en levend door de onderscheiding der personen. De Heere God is een God des verbonds.

Nu heeft het Gode behaagd, naar Zijn vrijmachtig wejbehagen, naar den raad Zijns willens, dit leven des verbonds naar buiten te openbaren en van dat goddelijke verbondsleven schepselen deelgenoot te maken, en dat wel in den hoogst mogelijken zin des woords. Want immers, Hij wil bij Zijn volk wonen en Zijn tabernakel over hen uitspreiden. Hij wil met hen wandelen en hen met Hem doen wandelen. Hij wil met hen spreken als een vriend met zijn vriend en hen met Hem alzoo doen spreken. Hij wil hen doen deelen in Zijn leven en in Zijn licht hen doen wandelen. Hij wil van hen gekend zijn, zooals Hij hen kent. En Hij wil, dat ze Hem zien aangezicht tot aangezicht. Hij wil met hen onder ien dak verkeeren, met hen eten en drinken, op de innigste en intiemste wijze met hen omgaan, Zijne geheimen aan hen openbaren. Want:

"God's verborgen omgang vinden

   Zielen, daar Zijn vrees in woont;

't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden

   Naar Zijn vrejverbond getoond."

 

Die vrienden Gods, naar den raad Zijns willens, zijn in die vriendschap ook tevens Zijne knechten. Want God is eeuwig God en niemand meer. Niemand wordt ooit God gelijk, schoon Zijn schepsel Zijn beeld mag dragen en op Hem gelijken mag, ja Hem mag kennen zooals het gekend is en in vriendschapsverbond met Hem leven mag. Als dan ook God Zijn verbond opricht met schepselen, die Hij in Zijn vrije gunst daartoe verkoor en bereidde, dan is Hij in dat verbond de Vriend-Souverein terwijl het schepsel vriend-knecht des Heeren is naar de ordinantie van dat verbond. Het verbond is Godes en Godes alleen. Hij richt het op, Hij vormt het schepsel dat in dat verbond zal deelen, Hij deelt Zijn leven mede, schrijft Zijn wet in hunne harten en stort Zijn liefde in die harten uit. Hij zegent hen in dat verbond eeuwiglijk met het volle rijke leven van Zijne gemeenschap. En het schepsel, alzoo door Hem geformeerd, is het werk Zijner handen, openbaring van Zijne genade. Het dient Hem in liefde en wijdt zich als vriend-knecht des Heeren God toe met geheel zijn bestaan en met alle dingen. Daarom wordt die vriend Gods dan ook profeet, priester en koning onder God. Hij is profeet, om God lief te hebben met geheel zijn verstand, Hem te kennen, en Zijn grooten Naam te verheerlijken; hij is priester, om den Heere te minnen met geheel zijn hart en van uit het heiligdom zijns harten Gode zichzelf en alle dingen in toewijding op te offeren; hij is koning, om den Heere met al zijne krachten aan te hangen, naar Zijne ordinantikn te vragen en eeuwiglijk onder Hem en in Zijn naam over alle schepselen te regeeren. Hier komt nu nog bij, dat naar denzelf den raad Zijns welbehagens, de Heere dit verbond realiseert langs de antithetische lijn van verkiezing en verwerping, van genade en zonde, van licht en duisternis, tot hoogere openbaring van Zijne glorie en grootere heerlijkheid van Zijne verbondsvrienden. Want God de Heere formeert niet alleen het licht, maar Hij schept ook de duisternis; Hij ontfermt zich diens Hij wil, maar Hij verhardt ook dien Hij wil, en Hij heeft alle dingen gemaakt om Zijns zelfs wil. Daarom komen Zijn bondsvrienden tijdelijk in het midden der wereld, die hen niet kent, die hen haat, omdat ze van de duisternis is, en zijn zij door Gods genade van Zijn partij. Daarom is er in deze wereld ook eene worsteling om Gods verbond, eene worsteling echter naar den raad des willens Gods, waarin alles, in hemel en op aarde, moet dienen, om het volk Zijner keuze ter eeuwige overwinning te leiden. Daarom is het verbond Gods dan ook geen weg ter zahigheid. Het is eeuwig en zal eerst ten voile geopenbaard worden als de Heiland wederkomt en God eeuwiglijk Zijn tabernakel zal spreiden over allen en zij in eeuwige volmaaktheid bij Hem zullen wonen, Hem kennende van aangezicht tot aangezicht. Want nu zijn wij kinderen Gods, maar het is nog niet geopenbaard, wat we eens zijn zullen, maar als het geopenbaard zal zijn, dan zullen we Hem gelijk zijn, want we zullen Hem zien gelijk Hij is. En daarom moet Gods volk hier dan ook nimmer vertragen. Want het is hun uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te gelooven, maar ook met Hem te lijden. En de overwinning is gewis.

Welnu niet in een belofte en dan nog wel in den zin van een zeker algemeen aanbod aan kinderen der geloovigen, zooals Prof. Heyns dat wil; ook niet in een zekeren weg of wijze der zaligheid, waarop God ons de heerlijkheid zou doen deelachtig worden, zooals vele anderen het verbond omschrijven, daardoor feitelijk loochenende het eeuwige van Gods verbond; ook niet in een zekere overeenkomst tusschen twee partijen, waarbij van weerszijden aan zekere voorwaarden moete worden voldaan, zooals dikwijls de voorstelling is (immers, het verbond is Godes en Hij schenkt aan Zijne vrienden alles, wat tot den strijd en het leven der verbonds noodig is); maar in deze levende vriendschapsbetrekking waardoor God de Heere de souvereine vriend van Zijn volk is en zij de vriend-knechten des Heeren zijn, in Zijne gemeenschap deelende, door genade Zijne leven bezittende en openbarende en Zijn strijd strijdende in het midden der wereld, zoeken wij het wezen des verbonds. De verwerkelijking van dat verbond, zooals het straks in eeuwige heerlijkheid geopenbaard zal worden, is de geschiedenis des heils; de worsteling om dat verbond is de strijd aller eeuwen.

Als we deze fundamenteele gedachte aangaande Gods verbond voor de aandacht houden, verstaan we ook de Schrift. In den beginne ligt ook het begin van de verwerkelijking van Gods verbond. Want de mensch wordt aanstonds in het Paradijs gesteld als de verbondsvriendknecht des Heeren. Dat is zijn plaats. Dat bepaalt de betrekking, waarin hij staat tot den Heere zijn God aan den eenen kant en tot geheel de aardsche schepping aan den anderen kant. Van een overeenkomst, waarbij God en Adam van weerszijden zekere stipulatikn stellen, lezen we in de Paradijsgeschiedenis schiedenis letterlijk niets. Wel richt God Zijn verbond op en beschrijft de Heere voor Adam de plaats, die hij inneemt in betrekking tot Zich en tot de schepping, doch zonder eenige voorafgestelde voorwaarde staat Adam in Gods verbond. Ook is het niet waar, dat we in de eerste hoofdstukken der Schrift lezen van eenige belofte, als het wezen des verbonds uitmakende, eene belofte, die van Adams inwilliging zou afhangen. Wel dreigt God met den dood, bijaldien Adam Gods verbond zou overtreden; wel ligt daar natuurlijk bij tegenstelling in, dat Adam leefde en alleen in Gods verbond der vriendschap het leven kon bezitten; maar eene belofte, dat Adam in den weg der gehoorzaamheid het eeuwige leven zou kunnen verdienen, vindt ge zeker niet. We moeten op sommige dezer dingen met opzet even de aandacht vestigen. Vele dezer dingen zijn zoo diep ingeworteld bij ons volk, dat men zonder zelf na te denken ze beschouwt als de Gereformeerd-Schriftuurlijke voorstelling der waarheid, schoon ge ze noch in de Schrift, noch in de belijdenis vindt. Het verbond der werken zou dan een zekere overeenkomst zijn tusschen God en Adam en in Adam met de menschheid, waarin Adam in den weg der gehoorzaamheid het eeuwige leven zou kunnen verdienen en bijaldien hij ongehoorzaamheid betoonde den dood zou sterven. Nu verdient Adam niet het eeuwige leven. Hij is ongehoorzaam en sterft, en wij in hem. En wat nu Adam niet verdiende, dat verwerft Christus voor ons door Zijne volkomene gehoorzaamheid. Zoo is ongeveer de voorstelling, die altijd maar weer ingeprent wordt en zonder nadenken ingezogen op de Catechisatie en de Theologische scholen. Zegt men deze dingen anders, dan meenen velen, dat men afwijkt en als een ketter behoort gebrandmerkt te worden. En toch is het niet waar, dat deze voorstelling in dien vorm in de Schrift wordt gevonden. Ook heeft ze niets dat aantrekt en opent ze nooit de oogen voor het heerlijke werk Gods in betrekking tot Zijn verbond. Ze doet ons feitelijk altijd weer met den neus tegen het hek van het Paradijs staan, met de wanhopige wensch in de ziel, dat Adam toch niet gevallen ware! Want immers, indien het waar is, dat Adam ook had kunnen verdienen, wat Christus ons thans schenkt, ware hij slechts staande gebleven, dan blijft het eeuwig jammer, dat het eerste Paradijs niet meer is, en dat we door de gehoorzaamheid van den eersten mensch niet het eeuwige leven hebben ontvangen. Ware hij toch staande gebleven, dan had heel de tegenwoordige geschiedenis van lijden en worsteling kunnen worden voorkomen, en dan waren alle menschen het eeuwige leven door hem ingegaan; terwijl thans niet alleen een bange geschiedenis van smart en rouw moet doorworsteld, met het kruis van Jezus in het midden, maar aan het einde ook nog duizenden en millioenen wegzinken in een eeuwigen nacht van ellende en hellelijden. Dan moge de Heere eindelijk de overwinning hebben, feit blijft, dat de duivel door zijne verleiding een groot gat geslagen heeft in de werken Gods. En zoo komen we er dan toe, om feitelijk critiek uit te oefenen op den raad des Heeren Heeren, die dit alles, van voor de grondlegging der wereld, zekerlijk alzoo heeft gedacht en gewild. Doch zoo staat de zaak natuurlijk niet. Adam staat in het Paradijs in Gods verbond. Ook heeft hij leven. Ook zal hij alleen in den weg der gehoorzaamheid het leven, dat hij bezit, kunnen behouden. Doch het eeuwige leven is niet uit hem of in hem; het is het leven, zooals de verkorenen het alleen uit Christus, Immanuel, God met ons, kunnen ontvangen. Zoover Christus boven Adam staat, zoover staat het leven, dat we uit Christus ontvangen, boven het leven, dat Adam bezat of ooit bezitten kon. En wat Christus verwerft kon de eerste Adam nimmer verkrijgen.

Hoe dit ook zij, Adam staat in Gods verbond. Hij werd als verbondsvriend-knecht geschapen, op God en de gemeenschap met Hem aangelegd. Want naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis schiep God den eersten mensch. Wel is hij uit de aarde aardsch, want God formeert hem uit het stof der aarde. Maar ofschoon hij door die schepping aan de aarde, met name aan de dierenwereld, verwant en zelf aardsch is, wordt hij toch ook aanstonds van die wereld onderscheiden en geformeerd als een schepsel, dat ook aan God verwant is. Want in de eerste plaats toch roept God hem niet slechts uit de aarde, zooals Hij wel had gedaan met de dieren, doch formeert Hij hem met eigen hand. En in de tweede plaats, terwijl God hem alzoo formeert, wat zijn aardsche natuur en vorm aangaat, blaast Hij in zijne neusgaten den adem des levens, en alzoo wordt Adam tot een levende ziel. Door die scheppend-formeerende en leven-inblazende daad Gods wordt Adam het schepsel dat Gods beeld draagt in zijn eigen natuur. Er is in Adam eene creatuurlijke gelijkenis Gods. Hij is op God aangelegd. Zijn verstand draagt de gelijkenis van Gods kennen, zijn wil is beeld van Gods wil, zijn hart is op de liefde Gods aangelegd. Hij is, in onderscheiding van alle schepsel rondom hem, het schepsel, dat God kan kennen en met Hem kan spreken; dat God kan liefhebben en in Zijne gemeenschap kan leven; dat bewust en willend zichzelf kan toewijden met al zijn krachten en al wat hij heeft aan den God zijns levens. En niet alleen dat hij een schepsel is, dat op Gods verbond is aangelegd en het leven des verbonds leven kan, hij wordt ook aanstonds in die levensgemeenschap des verbonds geplaatst. Want hij wordt door zijn God begiftigd met ware kennis van God, gerechtigheid en heiligheid. Adam is niet neutraal, maar hij staat met het aangezicht naar God en is Gods vriend. God spreekt dan ook met hem in het Paradijs en eischt van hem, dat hij alle dingen Hem zal wijden. En als vriend-knecht Gods is Adam ook koning en ontvangt hij heerschappij over de dieren der aarde en over de visschen der zee en over alle aardsche dingen. God heeft Zijn verbond opgericht met Adam en in het eerste Paradijs staat de mensch in dat verbond der vriendschap Gods als profeet, priester en koning. God woont bij en met Adam in het Paradijs, en in Gods gemeenschap mag en kan Adam eten van den boom des levens, die in het midden van het eerste Paradijs stond. Ook openbaart God Zijn verbond in het eerste Paradijs aanstonds op antithetische wijze en wordt Adam van Gods partij. Want God de Heere plaatst in den hof den boom des levens, maar ook den boom der kennis des goeds en des kwaads. Straks komt bij dien boom 't woord des duivels, zich stellende tegen het woord des levenden den Gods. En Adam staat voor de roeping, om als vriend Gods te verwerpen al wat niet uit God, maar tegen God is, en worstelend den booze te overwinnen en zich als vriendknecht des Heeren te handhaven. En dit kon Adam, want hij was goed, zoowel als naar Gods evenbeeld geschapen. Alleen door een daad des willens kon hij zich afkeeren van den levenden God, om vriend te worden van Gods tegenpartij. Zedelijk-geestelijk bezat Adam alles, wat noodig was, om te staan en te strijden voor Gods verbond en Zijn naam in het eerste Paradijs. Want wel had God iets anders en beters over Zijn volk bedacht en valt straks Adam naar den raad Zijns willens en dient straks Adams val, duivel en zonde dien raad, maar dat neemt niet weg, dat God Adam begiftigd had met heerlijke gaven, en dat de zonde een daad zijns willens blijft. Knecht des Heeren, vriend Gods en van Gods partij tegenover den duivel, ziedaar Adams verbondsrelatie tot zijn God in het eerste Paradijs.

Nu moet hier aanstonds aan toegevoegd, dat dit zoogenaamde verbond der werken niet de eindelijke openbaringsvorm van het verbond is, zooals God zich dien in Zijn raad van voor de grondlegging der wereld had gedacht. Nog eens zij het gezegd: het hoogste leven des verbonds bezat Adam niet en kon hij ook nooit voor zich en de zijnen verwerven of verkrijgen. De eerste mensch is uit de aarde aardsch; alleen de tweede mensch is de Heere uit den hemel. Het eerste Paradijs is dan ook slechts beeld van het hemelsche, zooals ook Adam een voorbeeld was desgenen, die komen zou. En de boom des levens is beeld van den Boom des levens, die in het midden van het Paradijs Gods is. Ook was Adam een weinig minder gemaakt dan de engelen en vereenigde zijn naam niet hemel en aarde te saam. Wel was hij koning, maar niet over alle dingen. Hij was koning over een aardsch koninkrijk. In dat alles lag een beeld van betere dingen. Want God had wat beters over ons voorzien. De eerste mensch, die uit de aarde aardsch is, het eerste Paradijs en alles wat met dat begin van de openbaring van Gods verbond in verband stond, moest dan ook weg, om plaats te maken voor dat betere. Want het was Gods verborgen doel, om niet in den eersten Adam, maar in den tweeden, niet in den aardschen mensch, maar in den Heere uit den hemel, in Immanuel, in God met ons, alle dingen te volmaken en Zijn verbond tot in eeuwigheid te bevestigen. En de verwerkelijking daarvan lag, volgens den raad des Heeren, door den diepen weg van zonde en genade.


Hoofdstuk Zes

Gods verbond is wezenlijk geen belofte, schoon al de beloften Gods voor Gods verbondsvolk in Christus ja en amen zijn; ook is het verbond geen weg ter zaligheid zonder meer, schoon God aan Zijn verbondsvolk uit vrije gunst het eeuwig zalig leven schenkt, dat juist alleen in de gemeenschap van dat verbond Gods te genieten is; maar Gods verbond is wezenlijk de vriendschapsbetrekking tusschen God en Zijn volk, waarin God de souvereine vriend is van Zijn volk en dat volk de vriend-knecht des Heeren is. Zoo is Gods verbond altijd en overal. Zoo stond ook Adam in het Paradijs als Gods verbondsvriend-knecht. Daartoe was hij naar Gods beeld geschapen, zoodat die creatuurlijke gelijkheid Gods Adam eigen was, die noodig was, om hem in die verbonds— betrekking met zijn God te doen leven. Hij bezat dan ook van stonde aan ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid.  Hij was niet slechts een schepsel, dat op God was aangelegd, en dat langs zekeren weg het verbond met zijn God kon ingaan, maar hij had van zijn God ontvangen alles wat noodig was, om in dat verbond te staan en te leven. Het is dan ook niet waar, dat Adam in dat verbond Gods iets behoefde te verdienen, evenmin als dat ooit zou kunnen. Van verdienste kan er bij den mensch in zijne betrekking tot God wel nimmer sprake zijn. Immers, ook Adam stond in het Paradijs als schepsel Gods en hij bezat niets, dat hij niet had ontvangen en dat niet zijn God toebehoorde. Zijn lichaam en zijn ziel, zijn verstand en wil en al zijn vermogens zijn gaven en talenten, alles behoorde den Heere zijnen God toe, opdat hij Hem zou kennen en liefhebben en dienen met al zijne krachten. Met die gaven en krachten en talenten leefde en handelde Adam te midden van Gods werken in het eerste Paradijs. Er was rondom hem niets, dat niet het eigendom was van den Heere. Hoe zou hij dan, waar hij zelf het eigendom des Heeren was met al zijne vermogens, en al wat rondom hem was even zeer den Heere behoorde, ooit iets den Heere kunnen toebrengen en ooit iets bij Hem kunnen verdienen? Neen, uit vrije gunst had de Heere hem geschapen en bedeeld met de schoone gaven, die hij bezat. En uit vrije gunst had God hem juist zoo geschapen, dat hij met zijn God in verbondsbetrekking leven kon. Uit vrije gunst was hij ook werkelijk in die bondsbetrekking tot zijn God geplaatst. En in die betrekking had Adam ook het leven en kon hij eten van den boom des levens, die in het midden van den hof stond. Wel kon hij dat leven derven en verliezen, doch van een verdienen van leven was geen sprake. Wel zou hij, in den weg der gehoorzaamheid het leven, dat hij bezat, behouden en den dood niet sterven. Doch ofschoon hij dus in alles er op was aangelegd, om in eeuwige zaligheid met zijn God te leven, dat hij ook het hoogere leven en de hemelsche heerlijkheid en zaligheid zou kunnen deelachtig worden, die de Heilige Schrift het eeuwige leven noemt, daarvan lezen we in Gods Woord eenvoudig niets. Dit eeuwige leven zou Adam niet alleen nimmer kunnen verdienen, maar is ook een leven, dat ons uit hem nimmer kon toevloeien, doch alleen uit Immanuel ons deel kon worden. Want de eerste mensch is uit de aarde aardsch, de tweede is de Heere uit den hemel. En wel is de aardsche Adam een voorbeeld desgenen die komen zou, doch de eerste is met den laatste in heerlijkheid niet te vergelijken. En zoo hoog de tweede Adam verheven is in glans en heerlijkheid, in genade en majesteit en leven, zooveel heerlijker is ook het leven van Gods verbond, zooals we dat door dien tweeden Adam deelachtig worden.

Wij schrijven dit nog eens, omdat we inderdaad van overtuiging zijn, dat hier een der meest fundamenteele beginselen van een Schriftuurlijk-Gereformeerde voorstelling in het geding is, en omdat een zeer onschriftuurlijke en ongereformeerde voorstelling reeds lang ingang heeft gevonden bij ons volk. Het zoogenaamde werkverbond is dan een soort overeenkomst tusschen God en Adam, die eigenlijk op gansch mechanische wijze wordt gesloten. Die overeenkomst bestaat dan, volgens vele vraagboekjes, in een voorwaarde, eene belofte en eene bedreiging. De voorwaarde is dan gehoorzaamheid, voornamelijk daarin bestaande, dat Adam niet mocht eten van den boom des kennis des goeds en des kwaads. De belofte is dan, dat Adam het eeuwige leven zou kunnen verdienen, bijaldien hij gehoorzaamde. En de bedreiging bestaat daarin, dat hij den dood zou sterven bijaldien hij Gods gebod overtrad. Tegenover die mechanische beschouwing van Gods verbond nu stellen wij, dat het verbond wezenlijk in de vriendschapsbetrekking bestaat, dat God de Heere Adam in het Paradijs in die betrekking tot Zichzelf had geplaatst, reeds door zijne schepping naar den beelde Gods, en dat hij in die betrekking het leven bezat en zalig was. Natuurlijk zou Adam in den weg van gehooraamheid het leven kunnen houden, want immers alleen in dien weg genoot hij de gunste Gods. Hij was knecht des Heeren. Knecht zijns Gods was hij met geheel zijn bestaan en met alle dingen. Daarom was hij dan ook Gods profeet, Gods priester, Gods koning. Als ge zijn vriend-knecht-betrekking beschouwt uit het oogpunt van zijn kennend vermogen en leven, dan stond hij in het Paradijs als Gods profeet. Met geheel zijn kennis was hij knecht. En als die kennende knecht was het zijne roeping, om zijn God recht te kennen in al de werken Zijner handen en dan van Hem en Zijne deugden te spreken, Hem groot te maken en voor Zijne eere te staan en te strijden. Beziet ge die knechtvriendschap uit het oogpunt van zijn willend en begeerend leven, dan was Adam priester Gods, want ook met geheel het leven van zijn hart en wil was hij knecht Gods. En als zoodanig was het zijne roeping, om den Heere Zijn God te willen en te lieven en zichzelf met alle dingen Gode te wijden. En eindelijk, beschouwt ge datzelfde knechtschap uit het oogpunt van Adams kracht in betrekking tot de schepping temidden waarvan hij was geplaatst, dan was hij koning onder God. Ook als koning was hij knecht en was het zijne roeping om in den naam des Heeren en onder Hem en naar Zijne ordinantikn te regeeren over alle werken van Gods handen in het eerste Paradijs. Als zoodanig eischte Adams plaats in Gods verbond absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Werd hij ongehoorzaam, dan verbrak hij daarmede Gods verbond, zoover als hem betrof, dan dierf hij Gods gunst en verloor hij het leven; dan moest hij den dood sterven. Nu moet hier nog bij, dat Adam dit alles moest zijn en moest beleven op antithetische wijze. De keuze vosr zijn God moest zoo voor zijn bewustzijn staan, dat hij tegelijkertijd tegen Satan koos; hij moest zijn God dienen met verwerping van al wat niet naar den wille Gods was. Vandaar de boom der kennis des goeds en des kwaads. Vandaar ook de verleiding door de slang. Adam stond als de vriend-knecht des Heeren voor de antithese in het eerste Paradijs en als van Gods partij leefde hij het leven des verbonds antithetisch.

Nu stond Adam in dat verbond Gods met en voor en aan het hoofd van zijn zaad, het menschelijk geslacht. Het menschelijk geslacht bestaat niet uit een hoop individuen, waarin ieder zijn eigen meester staat en valt. Zoo is het, voorzoover wij kunnen nagaan, wel in de engelenwereld. Wel is er ook in die engelenwereld orde en rang en saamhoorigheid, doch niet op dezelfde wijze als dit het geval is met het geslacht der menschen. God schiep de engelen niet in iin, het menschelijke geslacht wel. God schiep het menschelijk geslacht in Adam, formeert uit dien eenen mensch straks de vrouw en laat dan, niet door schepping, maar door organische ontwikkeling, uit dat iene menschenpaar het gansche geslacht der menschen voortkomen. Het gansche geslacht der menschen dus letterlijk in dat eerste menschenpaar en komt organisch uit hen voort. Adam staat dan ook in het eerste Paradijs als de drager der menschelijke natuur. Hij is dat als wortel van heel het organisme van ons geslacht. Al wat ooit aan den stamboom van ons geslacht zal bloeien en in het leven van het geslacht tot openbaring zal komen, ligt